ACTUELE TOPICS ARBEIDSRECHT EN SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT

Eenheidsstatuut arbeiders-bedienden

In het Belgisch Staatsblad van 31 december 2013 verscheen de langverwachte wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen,
de carenzdag en begeleidende maatregelen.  De meeste bepalingen zijn in werking getreden op 1 januari 2014.

Deze wet wijzigde op ingrijpende wijze de grondregels uit het Belgische ontslagrecht. Naast de nieuwe regels inzake opzeggingstermijnen voor arbeidsovereenkomsten die in werking traden/treden vanaf 1 januari 2014 (waarbij voortaan voor elke werknemer een vaste opzeggingstermijn wordt bepaald die wordt uitgedrukt in weken) voorziet de wet ook in een overgangsregeling met een “rugzaksysteem” voor de arbeidsovereenkomsten die een aanvang namen vóór 1 januari 2014.  De bepaling van de opzeggingstermijn moet in die gevallen voor iedere situatie afzonderlijk gebeuren in twee fasen, waarbij rekening moet worden gehouden met verschillende elementen.

De wijzigingen die de wet van 26 december 2013 aanbracht, reiken echter verder dan alleen de opzeggingstermijnen.
Zo werd ook de proefperiode (zo goed als) afgeschaft en worden de bepalingen inzake willekeurig ontslag voor de private sector afgeschaft vanaf de inwerkingtreding van de collectieve arbeidsovereenkomst van de Nationale Arbeidsraad betreffende de motivering van het ontslag door de werkgever (zie hierna).

Een volledige uiteenzetting van alle nieuwe regels en van de overgangsregels zou ons in het bestek van deze nieuwsbrief te ver leiden, maar onze advocaten van de cel arbeidsrecht bieden u graag een antwoord op al uw concrete vragen (bv. berekenen van de opzeggingstermijn/opzeggingsvergoeding, opstellen van de ontslagbrief, aanpassen van uw arbeidsreglement).

 

Ontslagmotivering

Inleiding

In het licht van het eenheidsstatuut werd in de Nationale Arbeidsraad op 12 februari 2014 de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 109 betreffende de motivering van het ontslag gesloten.  De CAO nr. 109 heeft onder meer de bedoeling om de juridische  onzekerheid die gepaard gaat met het onderscheid tussen arbeiders en bedienden inzake de mogelijkheden van een betwisting van hun ontslag, verder weg te werken.  De CAO nr. 109 gaat uit van het recht van de werknemer om de redenen van zijn ontslag te kennen en van het recht op bescherming tegen een kennelijk onredelijk ontslag in de vorm van een schadevergoeding.  De Nationale Arbeidsraad is ervan overtuigd dat de dialoog en uitleg misverstanden kunnen vermijden en de spanningen en conflicten die in het kader van een ontslag rijzen, kunnen doen afnemen.

 

Toepassing

De CAO nr. 109 werd gesloten voor onbepaalde duur en treedt in werking op 1 april 2014 voor ontslagen vanaf die datum.

De CAO nr. 109 is in de regel van toepassing op de werknemers die in de private sector zijn tewerkgesteld op grond van een arbeidsovereenkomst en de werkgevers die hen tewerkstellen. 

De CAO nr. 109 is echter niet van toepassing op volgende ontslagsituaties:

  • tijdens de eerste 6 maanden van de tewerkstelling;
  • tijdens de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid;
  • tijdens de arbeidsovereenkomst voor studentenarbeid;
  • met het oog op werkloosheid met bedrijfstoeslag;
  • om aan de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst een einde te maken vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de werknemer de wettelijke pensioenleeftijd bereikt;
  • wegens de definitieve stopzetting van de activiteit;
  • wegens de sluiting van de onderneming (in de zin van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen);
  • in het kader van collectief ontslag;
  • werknemers die het voorwerp uitmaken van een ontslag waarvoor de werkgever een bijzondere ontslagprocedure, vastgelegd bij de wet of een collectieve arbeidsovereenkomst moet naleven;
  • werknemers die het voorwerp uitmaken van een meervoudig ontslag bij herstructurering;
  • bij een ontslag om dringende reden (hiervoor geldt wel nog steeds de verplichting om binnen de 3 werkdagen na het ontslag per aangetekend schrijven of gerechtsdeurwaardersexploot een nauwkeurige kennisgeving van de redenen te doen die aan de basis liggen van het ontslag om dringende reden).

 

In bepaalde gevallen voorziet de CAO nr. 109 in de toepassing van een afwijkende regeling (zie verder).

Regels inzake de ontslagmotivering

Indien de CAO nr. 109 van toepassing is, betekent dit nog niet dat de werkgever automatisch verplicht wordt om het ontslag onmiddellijk te motiveren. 

  • Indien hij dit niet doet, kan de werknemer hem echter wel binnen de 2 maanden nadat de arbeidsovereenkomst een einde heeft genomen bij aangetekende brief een verzoek daartoe richten (bij de inachtneming van een opzeggingstermijn richt de werknemer zijn verzoek binnen de 6 maanden na de betekening van de opzegging door de werkgever, zonder evenwel 2 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst te kunnen overschrijden).  De werkgever die een dergelijk verzoek ontvangt, moet dan binnen de 2 maanden (vanaf de derde werkdag na de datum van de verzending van het verzoek) per aangetekende brief de concrete redenen die tot het ontslag hebben geleid meedelen aan de werknemer. 
  • De werkgever die al uit eigen beweging de redenen schriftelijk had meegedeeld, moet geen gevolg geven aan het verzoek, voor zover de mededeling de elementen bevat die de werknemer toelaten om de concrete redenen die tot zijn ontslag hebben geleid, te kennen.

 

De sanctie voor de werkgever die zich niet houdt aan deze procedure is een forfaitaire burgerlijke boete die overeenstemt met 2 weken loon.

 

Kennelijk onredelijk ontslag

De CAO nr. 109 definieert een “kennelijk onredelijk ontslag” als een ontslag van een voor onbepaalde tijd aangeworven werknemer, dat gebaseerd is op redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werknemer of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming en waartoe nooit zou zijn beslist door een normale en redelijke werkgever. 

In geval van kennelijk onredelijk ontslag is de werkgever aan de werknemer een schadevergoeding verschuldigd van 3 tot 17 weken loon, afhankelijk van de gradatie van de kennelijke onredelijkheid.  Het valt af te wachten hoe de arbeidsgerechten dat zullen toepassen.

Deze vergoeding kan worden gecumuleerd met:

  • de bovenvermelde schadevergoeding bij niet-naleving van de bovenvermelde procedure tot motivering van het ontslag;
  • een opzeggingsvergoeding;
  • een niet-concurrentievergoeding;
  • een uitwinningsvergoeding;
  • een aanvullende vergoeding bovenop de sociale uitkeringen.

 

Nieuw is dus dat vanaf 1 april 2014 zowel arbeiders als bedienden deze vergoeding kunnen vorderen.

Bij betwisting geldt de volgende bewijslast, afhankelijk van de concrete situatie:

  • de werkgever heeft de redenen meegedeeld volgens de regels van de CAO nr. 109: de partij die iets aanvoert draagt de bewijslast;
  • de werkgever heeft de redenen niet meegedeeld volgens de regels van de CAO nr. 109: hij draagt de bewijslast;
  • de werknemer heeft geen verzoek gericht om de redenen te kennen: de werknemer draagt de bewijslast.

 

Willekeurig ontslag?

Artikel 63 van de Arbeidsovereenkomstenwet, dat de bepalingen inzake willekeurig ontslag voor arbeiders voorzag, houdt op te bestaan vanaf 1 april 2014.  Enkel voor sommige categorieën van arbeiders blijft een gelijkaardige regeling gelden (voor onbepaalde tijd of tijdelijk), waarbij de werkgever aan de werknemer in geval van willekeurig ontslag een vergoeding van 6 maanden loon zal moeten betalen, zoals voorzien was in artikel 63 van de Arbeidsovereenkomstenwet.

Het gaat om de arbeiders waarvoor structureel of tijdelijk een verkorte opzeggingstermijn van toepassing is.  Volgens de FOD WASO gaat het om de volgende paritaire comités: PC 109, PC 124, PC 126, PC 128.01, PC 128.02, PC 140.04, PC 142.02, PC 147, PC 301.01, PC 311, PC 324 en PC 330.

 

Rechtsmisbruik?

Een werknemer die ook schade heeft geleden door de omstandigheden van het ontslag, bv. ontslag gegeven met kwetsende publiciteit, kan ook nog steeds een schadevergoeding vragen wegens rechtsmisbruik op basis van het gemeen recht.

De werknemer moet dan een fout van de werkgever bewijzen, de schade en het oorzakelijk verband tussen beide.

 

Bepaalde beëindigingsvergoedingen opnieuw (retroactief) vrijgesteld van sociale zekerheidsbijdragen

In de vorige editie van onze nieuwsbrief deelden wij u mee dat vanaf 1 oktober 2013 de beëindigingsvergoedingen die verschuldigd zijn aan de werknemer ruimer werden onderworpen aan sociale zekerheidsbijdragen. 

Met een Koninklijk Besluit van 21 december 2013, dat in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2013 werd gepubliceerd, werd de onderwerping van een aantal van deze beëindigingsvergoedingen echter retroactief teruggedraaid. 

Het gaat meer bepaald om de vergoedingen verschuldigd wanneer de werkgever zijn wettelijke, contractuele of statutaire verplichtingen niet nakomt, met name de forfaitaire beschermingsvergoeding bij een onrechtmatig ontslag van een zwangere werkneemster of een werknemer in tijdskrediet, ouderschapsverlof of educatief verlof en de vergoedingen voor misbruik van ontslagrecht.

De bedoeling van de nieuwe onderwerpingen uit het najaar van 2013 was om fraude en wetsontduiking tegen te gaan, doch zij hadden ook het effect dat de werknemer voor de periode die gedekt werd door bijvoorbeeld bepaalde beschermingsvergoedingen geen werkloosheidsuitkeringen kon genieten.  In de gevallen waarvoor de onderwerping retroactief werd teruggedraaid, was er echter geen sprake van fraude of wetsontduiking, vandaar dat deze beëindigingsvergoedingen opnieuw werden vrijgesteld van bijdragen. 

 

ACTUELE TOPICS FAMILIERECHT EN FAMILIAAL VERMOGENSRECHT

De Europese Erfrechtverordening.

De Europese Erfrechtverordening van 4 juli 2012 brengt een aantal belangrijke wijzigingen aan in het grensoverschrijdend erfrecht. De erfopvolging bij en afwikkeling van internationale nalatenschappen wordt bij deze Verordening vereenvoudigd. De Verordening is rechtstreeks uitvoerbaar in alle lidstaten, met uitzondering van Groot-Brittannië, Ierland en Denemarken.

De Verordening is in werking getreden op 17 augustus 2012, maar is pas van toepassing op nalatenschappen die openvallen na 17 augustus 2015. Dit betekent evenwel niet dat er nu nog geen rekening mee gehouden moet worden bij het plannen van nalatenschappen met een buitenlands element. 

Het thans nog in voege zijnde Belgische Internationaal Privaatrecht wordt grondig gewijzigd. Het Belgisch Internationaal Privaatrecht maakt namelijk nog een onderscheid tussen enerzijds het recht toepasselijk op roerende goederen (recht van het land van de woonplaats van de overledene) en anderzijds het recht toepasselijk op onroerende goederen (recht van de ligging van de goederen), om te bepalen welk recht van toepassing is ingeval van een nalatenschap met een internationaal element. De nieuwe Erfrechtverordening bepaalt dat de hele nalatenschap (zowel roerende als onroerende goederen) in beginsel bepaald wordt door één enkel recht, namelijk dat van het land waar de overledene zijn laatste verblijfplaats had. Hiervan mag wel bij testament worden afgeweken: er mag namelijk geopteerd worden voor het recht van het land van de nationaliteit van de erflater. De Verordening regelt niet alleen het toepasselijk recht, maar ook de rechtsmacht, de erkenning en tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen, de aanvaarding en tenuitvoerlegging van authentieke akten en gerechtelijk schikkingen.

Tenslotte werd ook de Europese erfrechtverklaring geïntroduceerd, bestemd voor  erfgenamen die zich in een andere lidstaat op hun hoedanigheid van erfgenaam dienen te beroepen. Een Europese erfrechtverklaring is geldig in alle lidstaten, zonder dat daartoe een bijzondere procedure vereist is. 

Stief- en zorgkinderen voortaan gelijkgeschakeld met natuurlijke kinderen voor de schenkingsrechten

Vanaf 17 januari 2014 betalen stief- en zorgkinderen dezelfde schenkingsrechten als natuurlijke kinderen op een schenking door hun stief- of zorgouder.

In geval van schenking door een stiefouder aan zijn natuurlijke kinderen en zijn stief- of zorgkinderen, dan genoten vóór de wetswijziging de natuurlijke kinderen de laagste schenkingstarieven ‘in rechte lijn’, terwijl stief- of zorgkinderen werden belast tegen het hogere tarief ‘andere personen’. Zo betaalde een natuurlijk kind tot vóór de wetswijziging 3 % aan schenkingsrechten, een stief- of zorgkind daarentegen 7 %. Als het om een schenking van vastgoed ging, schommelden de tarieven voor de kinderen tussen 3 en 30 %, die voor ‘andere personen’ tussen 30 en 80 %.

Bij een schenking aan een stiefkind dient de stiefouder gehuwd, wettelijk of minstens een jaar feitelijk samenwonend te zijn met de natuurlijke ouder. Bij schenking aan een zorgkind, dient het zorgkind voor zijn 21ste minstens drie achtereenvolgende jaren bij een zorgouder te wonen en dient hij er de hulp en de verzorging te hebben van gekregen zoals ouders dat normaal doen.

De gelijkschakeling levert een belangrijke belastingbesparing op voor de stief- en zorgkinderen en is een nieuwe stap in de modernisering van het erfrecht waarbij aandacht besteed wordt aan het groeiend aantal nieuw samengestelde gezinnen.

 

Nieuwe regels voor de verdeling van het overlijdenskapitaal

Vanaf 5 maart 2014 zijn de regels voor de verdeling van het overlijdenskapitaal van levensverzekeringen en groepsverzekeringen gewijzigd. De wijziging heeft gevolgen voor iedereen die een contract afsloot vóór 5 maart 2012.

Het nieuwe artikel 110/1 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten bepaalt dat wanneer de wettelijke erfgenamen als begunstigden worden aangewezen, zonder dat zij bij naam zijn vermeld, de verzekeringsprestatie verschuldigd is aan de nalatenschap van de verzekeringsnemer, onder voorbehoud van tegenbewijs of een andersluidend beding.

Als u overlijdt zal het kapitaal wanneer u in uw verzekeringscontract ‘de wettelijke erfgenamen’ hebt aangeduid als begunstigden dus niet langer rechtstreeks aan deze wettelijke erfgenamen toekomen, maar in de nalatenschap vallen. Deze bepaling heeft ingrijpende gevolgen.

Ten eerste kon men vroeger wanneer de overledene veel schulden had opgebouwd als wettelijke erfgenaam de nalatenschap verwerpen, maar toch nog het verzekerde kapitaal opstrijken.
Voortaan ontsnapt het verzekerd kapitaal niet langer meer aan de greep van eventuele schuldeisers van de nalatenschap, nu het in de nalatenschap valt.

Ten tweede heeft deze bepaling ook invloed op de manier waarop het verzekerd kapitaal onder de wettelijke erfgenamen wordt verdeeld. Het kapitaal zal niet langer in gelijke delen worden verdeeld onder de wettelijke erfgenamen maar volgens de regels van het erfrecht of volgens de bepalingen in het testament.
Dit is van belang wanneer u bijvoorbeeld al jaren een levenspartner heeft met wie u alleen feitelijk samenwoont.
Een partner met wie de verzekeringsnemer alleen feitelijk samenwoont kan geen aanspraak maken op het kapitaal in het voordeel van de wettelijke erfgenamen.
Wie alleen feitelijk samenwoont, is immers geen wettelijke erfgenaam van zijn partner.
Voortaan zal de notaris nu het verzekerd kapitaal dat in de nalatenschap valt ook rekening moeten houden met de wensen die u in dat testament en bijvoorbeeld in het voordeel van uw feitelijke partner heeft uitgedrukt.

Tot slot dient nog opgemerkt te worden dat deze regels niet gelden als u specifieke personen heeft aangeduid als begunstigden. Deze personen blijven het verzekerde kapitaal rechtsreeks ontvangen als u zou overlijden.

Als u zich kunt vinden in de nieuwe spelregels waarbij het kapitaal bij begunstiging aan de wettelijke erfgenamen volgens het erfrecht en eventueel het testament wordt verdeeld, hoeft u niets te doen. Wilt u daarvan afwijken, kan u in uw verzekeringscontract specifieke personen begunstigen of één en ander bij testament regelen.

 

ACTUELE TOPICS BURGERLIJK RECHT

Huurwaarborgfonds

Sedert 1 januari 2014 bestaat het Vlaams Fonds ter bestrijding van de uithuiszettingen, het zogenaamde Huurwaarborgfonds. De doelstelling van dit Fonds is enerzijds uithuiszettingen van de huurder te voorkomen en anderzijds de bescherming van de verhuurder tegen wanbetalers.

Op voorwaarde dat de verhuurder zich aansluit, komt het Fonds in geval van betalingsachterstand door de huurder tussen in de huurprijs tot drie maanden (met een maximum van 2.700,00 euro). De aansluiting bij dit Fonds is voor de verhuurder geen verplichting, maar een mogelijkheid.

De aansluiting is echter enkel maar mogelijk indien:

  • de woning gelegen is in het Vlaams Gewest,
  • het een woninghuurovereenkomst betreft, dit wil zeggen dat de huurder er zijn hoofdverblijfplaats dient te vestigen,
  • de overeenkomst ondertekend werd na 1 januari 2014.

 

Een verhuurder die zich wenst aan te sluiten bij het Fonds moet een aanvraag indienen binnen de twee maanden na de ondertekening van de huurovereenkomst.

Na betaling van de aansluitingsbijdrage van 75,00 euro, ontvangt de verhuurder een attest. Er is uitdrukkelijk bepaald dat deze aansluitingsbijdrage niet ten laste mag worden gelegd van de huurder en tevens kan het Fonds per huurovereenkomst maar eenmaal tussenkomen.

In het geval dat de betalingsachterstand van de huurgelden drie maanden bedraagt en de verhuurder wenst aanspraak te maken op een uitbetaling van het Fonds, moet hij binnen de twintig dagen, nadat er effectief een huurachterstal is van drie maanden, een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst wegens betalingsachterstand en tot uithuiszetting inleiden bij de vrederechter. Vervolgens dient de verhuurder het Fonds hiervan op de hoogte te brengen.

Indien de vrederechter de huurder een betalingsuitstel toestaat en er een aanzuiveringsregeling wordt opgelegd voor maximum 12 maanden, wordt via het Fonds een gerechtsdeurwaarder aangesteld waaraan de huurder moet betalen. Volgt de huurder het afbetalingsplan niet, dan keert het Fonds de niet-betaalde bedragen uit aan de gerechtsdeurwaarder, die deze samen met de reeds door de huurder betaalde bedragen aan de verhuurder overmaakt.

In dergelijke situatie treedt het Fonds van rechtswege in de rechten van de verhuurder en kan het de uitbetaalde geldsommen terugvorderen van de huurder.

Het Fonds kan de bedragen echter niet terugvorderen indien:

  • de huurder beneden het leefloonplafond van bestaansmiddelen komt,
  • de kosten van de invordering het terug te vorderen bedrag overschrijden.

 

De oprichting van het Fonds wordt door velen toegejuicht, aangezien het zowel een voordeel voor de huurder als verhuurder zou kunnen betekenen. In de praktijk zal echter moeten blijken of dit Fonds effectief een goede zaak is en of er geen misbruik van wordt gemaakt.

Het aansluitingsformulier en meer informatie over de te volgen procedure vindt u o.a. op https://www.wonenvlaanderen.be/premies/vlaams_huurgarantiefonds.

 

ACTUELE TOPICS VERKEERSRECHT

Nieuwe reglementering inzake het rijbewijs B sinds 03.02.2014

De belangrijkste nieuwigheden:

  • Verplicht theoretisch onderricht in de rijschool na 2 niet geslaagde theorie-examens

  • Nieuwe voorwaarden voor de begeleiders (voorlopig rijbewijs 36 maanden):

De begeleider moet minimum 8 jaar houder zijn van een Belgisch of Europees rijbewijs B en mag de laatste 3 jaar niet vervallen zijn van het recht tot sturen;

De begeleider moet opnieuw op het voorlopig rijbewijs vermeld worden en vooraan in het voertuig plaatsnemen;

De begeleider mag niet op een ander voorlopig rijbewijs als begeleider vermeld geweest zijn binnen het jaar voor de datum van afgifte van het voorlopig rijbewijs;

Dit verbod is niet van toepassing voor de begeleiding van eigen kinderen, kleinkinderen, zussen, broers, pleegkinderen of de kinderen van zijn / haar wettelijke partner.

  • De houder van een voorlopig rijbewijs zonder begeleider (18 maanden) mag vergezeld zijn door ten hoogste 2 personen die minstens 8 jaar een rijbewijs B hebben en die de laatste drie jaar geen verval van het recht tot sturen opgelopen hebben.

           

  • De houder van een geldig voorlopig rijbewijs met begeleider (36 maanden) kan één enkele keer een voorlopig rijbewijs zonder begeleider (18 maanden) krijgen en omgekeerd.
  • Men is verplicht  6 uur praktijk in de rijschool te volgen na het verstrijken van de geldigheid van het voorlopig rijbewijs (18 / 36 maanden) alvorens zich aan te bieden voor het praktisch examen.

 

  • Een nieuw voorlopig rijbewijs (18 / 36 maanden) kan pas worden verkregen drie jaar na verstrijken van de geldigheid van het vorige