ACTUELE TOPICS FAMILIERECHT

De familierechtbanken zijn in werking getreden

Sinds 1 september 2014 zijn de familierechtbanken, zoals ingevoerd bij wet van 30 juli 2013 (Belgisch Staatsblad 27 september 2013), in werking getreden.

Centralisatie bevoegdheden

De familierechtbanken zullen voortaan quasi alle familiale geschillen behandelen, zoals onder meer:

  • Echtscheiding
  • Afstammingsgeschillen en adoptie
  • Ouderlijk gezag over en verblijfsregeling van minderjarige kinderen
  • Onderhoudsverplichtingen, met uitzondering onderhoudsvorderingen die verband houden met een leefloon
  • Erfopvolging, schenkingen en testamenten
  • Huwelijksvermogensrecht
  • Vereffening en verdeling
  • Internationale kindontvoeringen
  • Voorlopige maatregelen na een relatiebreuk

Slechts een aantal familiaalrechtelijke aangelegenheden, waarbij dan voornamelijk de bescherming van geesteszieken en meerderjarige onbekwame personen, blijven tot de bevoegdheid van de vrederechter behoren. Vanaf 1 september 2014 is de vrederechter wel bevoegd voor geldelijke geschillen tot 2.500 euro. Daarvoor lag deze grens op 1.860 euro. Die grensbedragen gelden niet voor geschillen met nutsbedrijven. Sinds 1 juni 2014 is de vrederechter namelijk bevoegd voor de invordering van alle onbetaalde facturen voor telecom, water, elektriciteit en gas bij particulieren.

De jeugdrechtbank zal voortaan enkel nog kennis nemen van jeugdbeschermingsdossiers.

 

Persoonlijke verschijning

Inzake vorderingen m.b.t. minderjarige kinderen – regeling ouderlijk gezag, verblijfsregeling, onderhoudsbijdrage, … - dienen de partijen principieel te verschijnen op de inleidingszitting en alle zittingen waarbij de zaken m.b.t. die kinderen worden besproken. Deze verplichting geldt in principe niet als er enkel een globaal akkoord moet worden genoteerd, tenzij de rechter de persoonlijke verschijning beveelt. Inzake de overige onderhoudsvorderingen – meerderjarige kinderen, tussen (ex-)echtgenoten, ….-  en vorderingen m.b.t. een afzonderlijke verblijfplaats dienen de partijen in principe enkel op de inleidingszitting te verschijnen. In de andere zaken dienen de partijen niet persoonlijk te verschijnen, tenzij de rechter dit beveelt.

 

Familiaal kort geding

Om tegemoet te komen aan te lange wachttijden, worden een aantal geschillen als hoogdringend beschouwd, en deze zullen  in principe op korte termijn behandeld worden via een procedure kort geding. Er is een vermoeden van spoedeisendheid voor vorderingen met betrekking tot een afzonderlijke verblijfsplaats; regeling ouderlijk gezag, verblijfsregeling en het recht op persoonlijk contact, onderhoudsverplichtingen, internationale kinderontvoeringen en voorlopige maatregelen. Overige vorderingen kunnen ook via het familiaal kort geding worden behandeld indien de spoedeisendheid wordt bewezen.

 

Familiedossier

Nieuw is dat de familierechtbank werkt met een familiedossier. Elke familie krijgt één dossier met daarin de ‘gerechtelijke geschiedenis’. Daardoor heeft de rechter een globaler beeld van het verleden en de omstandigheden die al werden doorlopen. In het familiedossier komen alle geschillen die ontstaan tussen alle partners met gemeenschappelijke minderjarige kinderen, tussen (ex)gehuwden en (ex)wettelijke samenwonenden, inzake kinderen waarvan de afstamming tegenover één ouder is vastgesteld en inzake grootoudercontact. Voor de feitelijke samenwoners zonder gemeenschappelijke kinderen wordt er geen familiedossier opgesteld.
Het familiedossier is ook van belang bij de territoriale bevoegdheidsbepaling. Het is namelijk de bedoeling dat ééns een familiedossier bij een bepaalde familierechtbank werd geopend, deze rechtbank ook zo veel als mogelijk kennis zal nemen van de latere geschillen binnen dezelfde “familie”.

 

Alternatieve geschillenregeling

Bij de nieuwe familierechtbank gaat veel aandacht naar een minnelijke schikking: er wordt getracht de partijen tot een onderling akkoord te brengen. Daartoe moet in elke familierechtbank verplicht één of meerdere kamers voor minnelijke schikking worden opgericht. Voor het starten van de procedure zullen de partijen expliciet ingelicht worden over de mogelijkheid van bemiddeling of een minnelijke schikking door de griffier, en tijdens de procedure door de rechter.
Naast de minnelijke schikking wordt ook de reeds bestaande mogelijkheid tot bemiddeling behouden.

 

Horen minderjarige

Ook de procedure inzake het horen van de minderjarige in procedures die hem aanbelangen werd gewijzigd. Als algemene regel kan worden gesteld dat iedere minderjarige het recht heeft om te worden gehoord, maar ook om dit te weigeren. Een minderjarige jonger dan 12 jaar kan, indien hij wenst te worden gehoord zonder dat de rechter, het Openbaar Ministerie of (één van) zijn ouders hiertoe hebben verzocht, enkel worden gehoord indien hij de rechter hiertoe zelf verzoekt. De rechter kan dan dit verhoor principieel niet weigeren, tenzij de minderjarige daarvoor reeds werd gehoord en er klaarblijkelijk geen gewijzigde omstandigheden zijn. Vanaf 12 jaar krijgt de minderjarige automatisch een uitnodiging om te worden gehoord. Hij kan zelf beslissen om hierop al dan niet in te gaan.

 

 

Echtscheiding door onderlinge toestemming kan in bepaalde gevallen volledig schriftelijk

De procedure  echtscheiding door onderlinge toestemming wordt vereenvoudigd. Als de echtgenoten bij de neerlegging van het verzoekschrift al meer dan 6 maanden feitelijk gescheiden leven, kan de echtscheiding volledig schriftelijk verlopen. Zij moeten dus niet langer voor de rechtbank verschijnen. De familierechtbank zal de echtscheiding nog wel dienen uit te spreken en het Openbaar Ministerie zal nog steeds advies moeten verlenen inzake de regeling omtrent de minderjarige kinderen. Echtgenoten  die nog geen 6 maanden apart wonen, moeten één keer persoonlijk voor de familierechter verschijnen. Dat was tot nog toe twee keer. Wie niet persoonlijk verschijnen kan verschijnen - bijvoorbeeld door langdurig werk in het buitenland – kan zich laten vertegenwoordigen door een advocaat of notaris. 

 

Verdelingsrecht wordt teruggebracht van 2,5% naar 1%

In 2012 werd het verdelingsrecht verhoogd van 1% naar 2,5%. Deze taks, ook wel ‘miserietaks’ genoemd, is de taks die bij een scheiding of een erfenis moet worden betaald om een mede-eigenaar van een onroerend goed (woning) uit te kopen, bv. wanneer één erfgenaam het ouderlijk huis verwerft door de andere erfgenamen uit te kopen of wanneer bij een scheiding één van de partners zijn ex-partner uitkoopt.

Hoewel er een vermindering van de heffingsgrondslag met 50.000 euro (vermeerderd met 20.000 per kind) was voorzien in geval van scheiding, betekende deze verhoging voor velen een serieuze meerkost in het kader van een echtscheiding.

Het regeerakkoord van de Vlaamse Regering 2014-2019 voorziet dat het verdelingsrecht opnieuw naar 1% zal worden teruggebracht voor koppels die uit elkaar gaan. Hoewel er daartoe tot op heden nog geen ontwerpteksten werden ingediend, zou de verlaging in voege treden vanaf 1 januari 2015 en enkel gelden voor de doelgroep die thans gebruik kan maken van de hierboven vermelde vermindering van de heffingsgrondslag. Dit betekent dat het verlaagde verdelingsrecht enkel van toepassing zal zijn indien de verdeling of afstand van de onverdeelde rechten in een onroerend goed wordt gedaan:

  • in de regelingsakte voorafgaand aan een echtscheiding door onderlinge toestemming (EOT);
  • in het kader van de vereffening-verdeling na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting (EOO);
  • binnen het jaar na beëindiging van de wettelijke samenwoning, wanneer de personen op de dag van de beëindiging van de wettelijke samenwoning ten minsten een jaar ononderbroken met elkaar wettelijk samenwoonden.

De nieuwe regeling zal enkel van toepassing zijn wanneer de akte van verdeling dateert van na 1 januari 2015. Vanaf dan zal de vermindering van de heffingsgrondslag zoals die nu geldt ook niet meer kunnen worden toegepast.

 

 

Wet in wording: nieuwe rechtspositie voor meemoeder

Thans moet de (lesbische) meemoeder een volledige adoptieprocedure doorlopen om de tweede juridische ouder te worden van het kind waarvan haar partner bevallen is. De wet van 5 mei 2014 houdende de vaststelling van de afstamming van de meemoeder, die in werking treedt op 1 januari 2015, brengt daar verandering in. Voortaan krijgen meemoeders een afstammingsband met hun kind via de afstammingsregels die ook voor heterokoppels gelden.
Deze regels kunnen kort als volgt worden samengevat:
Ten aanzien van de meemoeder die gehuwd is met de moeder die van het kind bevalt geldt een vermoeden van meemoederschap, tenzij het kind geboren wordt tijdens een periode die door de wet als verdacht wordt beschouwd (bv. 300 dagen nadat de echtgenoten op verschillende adressen zijn ingeschreven in het bevolkingsregister).

Wanneer het vermoeden van meemoederschap niet van toepassing is (wanneer de meemoeder niet gehuwd is met de moeder die van het kind bevalt) en er nog geen tweede afstammingsband ten aanzien van het kind vaststaat kan de meemoeder het kind erkennen.
De rechtsgevolgen van het vaststellen van de afstammingsband ten aanzien van de meemoeder zijn dezelfde als van de vestiging van de afstammingsband tussen moeder en kind of tussen vader en kind. Zo ontstaan de ouderlijke rechten en plichten en kan het kind de naam van de meemoeder dragen.
Deze regeling geldt enkel voor een meemoeder, niet voor de (homoseksuele) meevader.

 

Rechtspraak: Europees Hof voor de Rechten van de Mens

EHRM 11 september 2014 ( D. e.a. t. België) – internationaal draagmoederschap

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft zich recent uitgesproken over een casus van internationaal draagmoederschap. Twee wensouders hadden via een draagmoeder uit  Oekraïne een kind gekregen dat bij de geboorte de Oekraïense nationaliteit kreeg. Bij de binnenkomst in België hebben de autoriteiten geweigerd de aankomst op nationaal grondgebied te autoriseren totdat de ouders voldoende bewijs konden leveren van hun relatie met het kind. Het hof oordeelt dat met het stellen van die eisen aan de ouders, België heeft gehandeld binnen de “wide margin of appreciation” die zij op dit gebied hebben. De klacht (inbreuk op het privéleven) werd als kennelijk ongegrond afgedaan.

 

ACTUELE TOPICS HANDELSRECHT

Vermelding van uw rechtspersonenregister mogelijks gewijzigd

Artikel 78 van het wetboek van vennootschappen schrijft voor dat alle akten, facturen, aankondigingen, bekendmakingen, brieven, orders, websites en andere stukken, al dan niet in elektronische vorm, uitgaande van rechtspersonen een aantal gegevens moeten vermelden, waaronder het woord “rechtspersonenregister” of de afkorting “RPR”, gevolgd door de vermelding van de zetel van de rechtbank van het rechtsgebied waarbinnen de vennootschap haar zetel heeft.  Het gaat om volgende rechtspersonen:

  • de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid;
  • de coöperatieve vennootschap;
  • de naamloze vennootschap;
  • de commanditaire vennootschap op aandelen;
  • het economisch samenwerkingsverband;
  • de Europese vennootschappen;
  • de Europese coöperatieve vennootschappen.

 

Volgens artikel 174 van het K.B. van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen moeten ook de neergelegde jaarrekeningen of de geconsolideerde jaarrekeningen deze vermelding bevatten.

Ingevolge de hervorming van het gerechtelijk landschap zijn er sinds 1 april 2014 in België nog slechts negen rechtbanken van koophandel, namelijk:

  • Antwerpen
  • Gent
  • Brussel (Nederlandstalig en Franstalig)
  • Leuven
  • Luik
  • Bergen en Charleroi
  • Eupen
  • Nijvel


De meeste rechtbanken van koophandel hebben verschillende afdelingen (bv. “Gent, afdeling Brugge” (voorheen “Brugge”) of “Antwerpen, afdeling Hasselt” (voorheen “Hasselt”).  De rechtbank van koophandel te Leuven daarentegen heeft geen verschillende afdelingen.

Rechtspersonen moeten er bijgevolg op letten dat zij bv. op facturen bij de verplichte vermelding van het rechtspersonenregister (RPR) desgevallend de nieuwe benaming van de bevoegde rechtbank van koophandel opnemen (bv. “RPR Antwerpen, afdeling Hasselt” ).  Een lijst met de nieuwe officiële benamingen van de rechtbanken vindt u via deze link:
http://justitie.belgium.be/nl/binaries/VCCP_20140327_COM_BenamingenHR_OfficieleLijstNL_Update_tcm265-245447.pdf

Voor de rechtspersonen met hun zetel binnen het gerechtelijke arrondissement Leuven blijft alles  ongewijzigd.  Zij kunnen dus nog steeds “RPR Leuven” vermelden, aangezien de rechtbank van koophandel te Leuven geen afdelingen heeft.

 

Overzicht van de rechtbanken van koophandel en hun afdelingen:

1. Rechtbank van koophandel Antwerpen
5 afdelingen: Antwerpen, Tongeren, Turnhout, Hasselt, Mechelen
2. Rechtbank van koophandel Gent
8 afdelingen: Gent, Brugge, Dendermonde, Ieper, Kortrijk, Oostende (viel eerder onder Brugge), Oudenaarde, Veurne
3. Rechtbank van koophandel Luik
8 afdelingen: Luik, Arlon, Dinant, Hoei, Marche-en-Famenne, Namen, Neufchâteau, Verviers
4. Rechtbank van koophandel Bergen en Charleroi
3 afdelingen: Bergen, Charleroi, Doornik
5. Franstalige rechtbank van koophandel Brussel
6. Nederlandstalige rechtbank van koophandel Brussel
7. Rechtbank van koophandel Leuven
Geen afdelingen
8. Rechtbank van koophandel Eupen
Geen afdelingen
9. Rechtbank van koophandel Nijvel
Geen afdelingen

 

ACTUELE TOPICS ZAKENRECHT
 
De intrede van de Opstalwet in de 21ste eeuw

Inleiding

De “oude” Opstalwet, die tot 24 mei 2014 van kracht was, dateert van 10 januari 1824. Het is één van die zeldzame wetten die dateren van voor de Belgische onafhankelijkheid en die in tussentijd nooit werden gewijzigd. Na 190 jaar besloot de wetgever om de Opstalwet aan te passen aan de hedendaagse noden door het aannemen van de “Wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen betreffende justitie”, met inwerkingtreding op 24 mei 2014.

 

De “oude” Opstalwet

Artikel 1 van de “oude” Opstalwet luidde voorheen als volgt:

Het regt van opstal is een zakelijk regt om gebouwen, werken of beplantingen op andermans grond te hebben” (eigen onderlijning)

Een recht van opstal kon aldus in beginsel slechts gevestigd worden op, niet boven of onder, andermans grond.

Anno 2014 stelt dit een niet te onderschatten probleem, aangezien grond in toenemende mate schaarser (en duurder) wordt. Indien een recht van opstal een rechtstreekse incorporatie in andermans grond veronderstelt, dan vallen er een belangrijk aantal vastgoedprojecten uit de boot, zoals tunnels (constructie onder de grond), ondergrondse parkings (constructie onder de grond), zonnepanelen (constructie boven de grond zonder rechtstreekse incorporatie in de grond) of voor constructies op andermans gebouw (niet op andermans grond en geen rechtstreekse incorporatie in de grond).

Dit leverde voor advocaten, notarissen en ondernemers al jaren een grote mate van rechtsonzekerheid op bij vastgoedprojecten en –transacties. De rechtspraak en rechtsleer hebben getracht om deze rechtsonzekerheid te verhelpen door het interpreteren van de bepalingen volgens de geest van de wet en in het licht van de hedendaagse realiteit, doch een aanpassing van de Opstalwet drong zich op.
 

De “nieuwe” Opstalwet

De Wet van 25 april 2014 wijzigde de Opstalwet als volgt:

Het recht van opstal is een zakelijk recht om gebouwen, werken of beplantingen te hebben voor het geheel of een deel, op, boven of onder andermans grond.

Het opstalrecht kan gevestigd worden door elke titularis van een onroerend zakelijk recht, binnen de grenzen van zijn recht.” (eigen onderlijning)

Het lijdt nu geen twijfel meer dat het recht van opstal niet langer gelimiteerd is tot constructies op andermans grond. Het recht van opstal kan volgens voormeld artikel eveneens worden gevestigd op constructies boven of onder andermans grond of zelfs op, boven of onder andermans gebouw. Er is dus niet langer een rechtstreekse incorporatie in andermans grond vereist.

Bovendien kan krachtens het nieuwe tweede lid van voormeld artikel het recht op opstal niet alleen worden verleend door de eigenaar van het gebouw of de grond, maar ook door de titularissen van de beperkte zakelijk rechten (bv. opstalhouders, erfpachters, vruchtgebruikers) voor zover deze binnen de grenzen van hun beperkt zakelijk recht handelen.

Aangezien men door de wijziging van de Opstalwet een recht van opstal kan vestigen op, boven of onder andermans gebouw en niet langer uitsluitend op andermans grond, werd in de artikelen 5,6 en 7 van de Opstalwet eveneens de term “grondeigenaar” vervangen door de term “opstalgever of diens rechtsopvolger”.

Aldus is er thans op sluitende wijze een einde gesteld aan een heersende rechtsonzekerheid. waarbij de wetgever de belangen en noden van de hedendaagse samenleving duidelijk als leidraad heeft genomen.