ACTUELE TOPICS STRAFRECHT

Nieuwe cassatieprocedure in strafzaken

Vanaf 1 februari 2016 treedt de laatste fase van de vernieuwde procedure voor cassatie in strafzaken in werking, die tot doel heeft om de efficiëntie te verhogen, onder meer door de instroom van cassatiedossiers in strafzaken te verminderen.

De cassatieprocedure zal vanaf 1 februari 2016 enkel nog kunnen ingeleid worden via een verklaring ter griffie door een advocaat die in het bezit is van een getuigschrift van de bijzondere cassatie-opleiding, van de opleiding tot advocaat bij het Hof van Cassatie, of door een advocaat bij het Hof van Cassatie.

Ook de memorie tot staving van het cassatieberoep zal enkel nog door een advocaat die houder is van het getuigschrift van de bijzondere cassatie-opleiding of van de opleiding tot advocaat bij het Hof van Cassatie, of door een advocaat bij het Hof van Cassatie, kunnen worden ingediend. 

De termijnen waarbinnen, en de vormen waaronder, de verklaring van cassatieberoep en de memorie tot staving dienen te worden ter kennis gebracht en neergelegd zijn door de wetgever in de nieuwe procedure zeer strikt gereglementeerd, zodat waakzaamheid hier geboden is!

maxius advocaten en bemiddelaars beschikt over de nodige specialisten, met name Jan Goedhuys en Evelien de Kezel om u bij te staan bij het adviseren over de cassatiemogelijkheden in uw zaak en bij het indienen van een cassatievoorziening in strafzaken. Voor informatie, gelieve contact op te nemen met advocaten@maxius.be.


 

ACTUELE TOPICS PROCESRECHT

De Wet Potpourri I: enkele belangrijke wijzigingen aan het Gerechtelijk Wetboek

De wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen, ook wel de ‘Wet Potpourri I’ genoemd, voorziet een aantal belangrijke en verregaande hervormingen in de burgerlijke en strafrechtelijke rechtspleging in het kader van het justitieplan van minister van Justitie Koen Geens (CD&V). Met dat plan streeft minister Geens naar een efficiëntere justitie. Hierna worden enkele belangrijke wijzigingen aan het Gerechtelijk Wetboek kort geschetst.

Elektronische communicatie tussen de actoren van justitie

De Wet Potpourri I legt de basis om elektronische communicatie tussen de actoren van justitie (advocaten, magistraten, parket, griffie) mogelijk te maken bv. met het oog op het elektronisch verzenden van conclusies en stukken. Het voegt een nieuw artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek in. Dat artikel bevat een generieke verwijzing naar het ‘informaticasysteem van justitie’ waarbij de wetgever kan inspelen op allerlei informatica-oplossingen. Het nieuwe artikel creëert geen wettelijke basis voor een volledige elektronische procedure, maar legt wel de basis voor de elektronische communicatie tussen actoren van justitie.

Inhoud en structuur van conclusies

De Wet Potpourri I verduidelijkt dat de conclusies van partijen duidelijk moeten gestructureerd zijn en minstens volgende elementen moeten bevatten:

De procespartijen worden thans dus verplicht de middelen te nummeren en in voorkomend geval in afnemende volgorde van belang voor te dragen (‘in hoofdorde’, ‘in eerste ondergeschikte orde’ enz.). Het doel hiervan is de responsabilisering van de partijen en het stroomlijnen van de motiveringsplicht van de rechter. Deze nieuwe regels zijn niet vrijblijvend. Er zijn immers sancties verbonden aan de miskenning van de nieuwe vormvoorschriften waaraan de conclusies moeten voldoen: de rechter hoeft niet te antwoorden op middelen die niet op die wijze zijn voorgedragen.

Adviesverplichting van het openbaar ministerie in burgerlijke zaken

De Wet Potpourri I heft de verplichting tot adviesverlening voor het openbaar ministerie in burgerlijke zaken op. Het openbaar ministerie kan thans zaak per zaak beslissen of al dan niet advies wordt verleend en zo ja, of dat mondeling (dus op de terechtzitting, mede in het licht van wat de partijen te zeggen hebben) dan wel schriftelijk (dus ‘op dossier’) gebeurt. Op het beginsel dat het advies van het openbaar ministerie facultatief is, wordt alleen nog een uitzondering gemaakt in sociaalrechtelijke zaken (nieuw vierde lid van art. 764 van het Gerechtelijk Wetboek) en in zaken betreffende minderjarigen (nieuw art. 765/1, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). In die gevallen is het openbaar ministerie ertoe gehouden advies te verlenen wanneer de rechtbank hierom verzoekt.

Verstekvonnis

De Wet Potpourri I bepaalt ook dat de rechter in het verstekvonnis de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij inwilligt, behalve in zoverre deze strijdig zijn met de openbare orde. Ook wanneer een partij niet verschijnt, op grond waarvan tegen haar verstek kan worden gevorderd, moet de rechter ambtshalve instaan voor de handhaving van de rechtsregels die de openbare orde raken. Of hij ook ambtshalve de naleving van andere (formeel- en materieelrechtelijke) regels moet nagaan wordt betwist. Het is nog afwachten hoe deze regels in de praktijk zullen worden toegepast.

Onderzoeksmaatregelen

De Wet Potpourri I wijzigt ook artikel 875bis van het Gerechtelijk Wetboek teneinde het ‘beginsel van de subsidiariteit van onderzoeksmaatregelen’ te versterken, zodat de rechter geresponsabiliseerd wordt niet méér onderzoeksmaatregelen te bevelen dan nodig is, mede in het licht van de inzet van het geding.  De rechter moet bijvoorbeeld de beperkte tussenkomst van een deskundige bevelen (art. 984 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek) in plaats van een volwaardig deskundigenonderzoek (art. 972 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek) wanneer dit eerste zou volstaan in het licht van de inzet van het geding.

Hoger beroep tegen beslissingen alvorens recht te doen

Artikel 1050 van het Gerechtelijk Wetboek wordt zo aangepast dat onmiddellijk hoger beroep tegen vonnissen alvorens recht te doen wordt uitgesloten, tenzij de rechter anders bepaalt. Het betreft vonnissen waarbij de rechter, alvorens recht te doen, een voorafgaande maatregel beveelt om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig regelt (art. 19, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

De tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen

Artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek wordt gewijzigd in die zin dat enkel het verzet tegen het eindvonnis de tenuitvoerlegging schorst. Voorheen schorste ook het hoger beroep tegen het eindvonnis de tenuitvoerlegging. Een tweede lid wordt aan het voornoemde artikel toegevoegd dat bepaalt dat eindvonnissen uitvoerbaar zijn bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep en zonder zekerheidsstelling, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt of tenzij de rechter anders beveelt.

Samenstelling rechtbanken en hoven van beroep

De Wet Potpourri I strekt ertoe magistraten van de rechtbank van eerste aanleg efficiënter in te zetten, de gerechtelijke achterstand terug te dringen en de rechtsgang te versnellen. Deze wetswijziging behoudt het wettelijk principe dat de vorderingen in burgerlijke en strafzaken worden toegewezen aan kamers met één rechter. Enkel in uitzonderlijke gevallen kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg nog ambtshalve een zaak aan een kamer met drie rechters toebedelen. Ook voor de hoven van beroep geldt voortaan het principe dat de zaken worden toegewezen aan kamers met een alleenrechtsprekende raadsheer, tenzij de wet anders vermeldt. De eerste voorzitter kan evenwel uitzonderlijk alsnog beslissen om een zaak toe te wijzen aan een kamer met drie raadsheren, zoals de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg dit kan.
 
Invorderingsprocedures voor onbetwiste schulden tussen ondernemingen

Elke onbetwiste schuld die een geldsom tot voorwerp heeft en die vaststaat en opeisbaar is op dag van de aanmaning kan, ongeacht het bedrag ervan, vermeerderd met de verhogingen waarin de wet voorziet en de invorderingskosten alsmede, in voorkomend geval en ten belope van ten hoogste 10 % van de hoofdsom van de schuld, alle interesten en strafbedingen, in naam en voor rekening van de schuldeiser op verzoek van de advocaat van de schuldeiser door een gerechtsdeurwaarder worden ingevorderd (artikel 1394/20 van het Gerechtelijk Wetboek). De schuld moet in de eerste plaats onbetwist zijn. Zodra er sprake is van een betwisting ligt er immers per hypothese een rechtsgeschil voor en het beslechten daarvan behoort tot de natuurlijke taak, tevens het monopolie van de rechter. De nieuwe regeling is bovendien beperkt tot geldschulden van professionelen (met ondernemingsnummer) met betrekking tot hun professioneel rechtsverkeer. De handelingen moeten dus verricht zijn in het kader van de activiteiten van de onderneming. Ook publieke overheden bedoeld in artikel 1412bis, §1 van het Gerechtelijk Wetboek zijn uitgesloten van de regeling. De nieuwe procedure kan uitsluitend op verzoek van een advocaat worden ingesteld. Bij een faillissement, gerechtelijke reorganisatie, collectieve schuldenregeling of andere gevallen van wettelijke samenloop is de invorderingsprocedure niet mogelijk. Niet-contractuele verbintenissen zijn uitgesloten, tenzij zij het voorwerp uitmaken van een overeenkomst tussen de partijen of er een schuldbekentenis is, of wanneer zij betrekking hebben op schulden uit hoofde van gemeenschappelijke eigendom van goederen.

ACTUELE TOPICS ARBEIDSRECHT

De aftrek van 4 weken loon voor outplacement vanaf 1 januari 2016

Werknemers die ontslagen worden met een opzeggingstermijn of –vergoeding van minstens 30 weken loon, hebben recht op een outplacementbegeleiding.  Wanneer de werknemer dit aanbod aanvaardt, mag de werkgever sinds 1 januari 2014 bij een ontslag met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding (‘verbreking’) 4 weken loon in mindering brengen om de kost te dekken van de outplacementbegeleiding.  Tot voor kort mochten de 4 weken loon niet in mindering worden gebracht indien de werknemer het outplacementaanbod niet aanvaardde.

Vanaf 1 januari 2016 mag de werkgever bij een verbreking van de arbeidsovereenkomst nu echter ook de 4 weken loon in mindering brengen indien de werknemer het outplacementaanbod niet aanvaardt.  De werknemer heeft er zodoende alle belang bij om het outplacementaanbod te aanvaarden, want de 4 weken loon zullen in principe ingehouden worden op zijn opzeggingsvergoeding.

Enkel in bepaalde gevallen zal de werkgever ook na 1 januari 2016 de volledige opzeggingsvergoeding dienen te betalen, namelijk wanneer hij geen outplacementaanbod aan zijn werknemer gedaan heeft en de werknemer hem hiervoor in gebreke heeft gesteld, wanneer hij geen geldig outplacementaanbod doet (bv. dat niet beantwoordt aan de voorwaarden van de wet) of wanneer hij een weliswaar geldig outplacementaanbod doet, maar de begeleiding niet daadwerkelijk uitvoert.

Opgelet: deze regel van de aftrek van 4 weken loon is enkel van toepassing op werknemers die op grond van de algemene regeling recht hebben op outplacement, namelijk de werknemers die worden ontslagen met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding van minstens 30 weken loon (en dus niet op werknemers van minstens 45 jaar die op grond van de bijzondere regeling recht hebben op outplacement).

Mocht u concrete vragen hebben, kan u hiervoor terecht bij onze specialisten arbeidsrecht.

 

ACTUELE TOPICS PERSONEN- EN FAMILIERECHT / FAMILIAAL VERMOGENSRECHT

Familienaam: geen vetorecht meer voor vader

Sinds de wet van 8 mei 2014 hebben ouders de mogelijkheid om de familienaam van hun (eerste) kind te kiezen: zij kunnen opteren voor een dubbele familienaam of voor één van hun beider familienamen. De wet bepaalt dat in geval van onenigheid tussen de ouders of wanneer er geen keuze wordt gemaakt het kind de familienaam van de vader krijgt. Dit komt er op neer dat aan de vader de beslissende stem toekomt.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde in zijn arrest van 14 januari 2016 dat dit vetorecht van de vader een ongeoorloofde discriminatie uitmaakt, aangezien het verschil in behandeling is gegrond op het criterium van het geslacht van de ouders. Het Hof stelt dat “noch de traditie, noch de wil om geleidelijk vooruitgang te boeken kunnen worden geacht zeer sterke overwegingen te zijn die een verschil tussen de vaders en de moeders verantwoorden wanneer er onenigheid tussen de ouders of afwezigheid van keuze is”.

Het Hof vernietigt dan ook de wetsbepaling waarin dit vetorecht was voorzien. Teneinde de wetgever toe te laten een nieuwe regeling aan te nemen, worden de gevolgen van deze wetsbepaling nog gehandhaafd tot 31 december 2016.

 

Arrest van 3 februari 2016 van het Grondwettelijk Hof (arrest “Boël”): ‘bezit van staat’ geen rustig bezit meer…

Bij zijn arrest nr. 18/2016 van 3 februari 2016 – het arrest “Boël” - heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat een persoon die door de echtgenoot van zijn moeder  steeds werd behandeld als zijn kind  (wat men het ‘bezit van staat’ noemt), het vaderschap van die man kan betwisten.  Dat geldt ook als het kind het bezit van staat heeft laten voortbestaan na te hebben vernomen dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn biologische vader is. Wat de termijn betreft waarbinnen het vaderschap kan worden betwist, oordeelde het Grondwettelijk Hof dat het kind dat ouder is dan 22 jaar de vordering daartoe ook nog kan instellen nadat meer dan een jaar is verstreken sedert het kind heeft ontdekt dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is. Artikel 318, § 2 van het Burgerlijk Wetboek, dat deze termijn instelt, wordt hierbij ongrondwettig bevonden.  Anders zou het kind ook geen vordering tot onderzoek van vaderschap tegen de beweerde vader kunnen instellen, terwijl het recht van eenieder op vaststelling van zijn afstamming in beginsel de overhand dient te krijgen op het belang van de rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden.

Bezit van staat blijkt dus geen rustig bezit meer te zijn. De rechtvaardiging daarvoor wordt, weinig verrassend, gevonden in het gegeven dat het recht van personen de biologische realiteit van hun afstamming ten allen tijde nog vastgesteld te zien krijgen, ‘in beginsel’ zwaarder weegt dan het belang van de familierust en rechtszekerheid. Deze rechtspraak ligt in de lijn van eerdere arresten van het Grondwettelijk Hof in deze materie. Waar deze zeer algemene (want ‘in beginsel’) geformuleerde regel nu precies eindigt, en waar de uitzonderingen daarop beginnen, is daarmee nog niet gezegd. Ongetwijfeld is daar nog ruimte voor verdere invulling en nuancering.

Wie vragen heeft over deze problematiek kan contact opnemen met de specialisten familierecht van het kantoor.

 

Verdeelrechten: voordelig tarief na echtscheiding of na beëindiging wettelijke samenwoning

Wie een deel van een onroerend goed overneemt van een mede-eigenaar, moet op de overeengekomen waarde registratierechten betalen. Deze registratierechten worden verdeelrechten genoemd.

Het tarief van de verdeelrechten steeg op 1 augustus 2012 van 1% naar 2,5%.

Sindsdien heeft de wetgever verschillende maatregelen genomen om de gevolgen van deze tariefverhoging te temperen voor verdelingen tussen ex-echtgenoten ten gevolge van een echtscheiding of tussen ex-wettelijke samenwoners ten gevolge van de beëindiging van de wettelijke samenwoning.

In eerste instantie werd de belastbare grondslag voor ex-partners verminderd met een bedrag van 50.000 euro en een bijkomend bedrag van 20.000 euro per kind voor koppels met kinderen (abattement).

Vervolgens werd het tarief met ingang van 1 januari 2015 terug naar 1% gebracht indien de afstand of verdeling die plaatsvond in een van volgende omstandigheden en enkel in zoverre partijen hier uitdrukkelijk om verzochten:

Deze omstandigheden worden door het programmadecreet van 18 december 2015 verruimd. De tariefverlaging van 1% wordt met ingang van 1 januari 2016 toegestaan wanneer de verdeling of afstand:

 

De tariefverlaging dient bovendien niet meer uitdrukkelijkt te worden gevraagd.

De regeling van het abattement werd niet gewijzigd.
Wie vragen heeft over deze problematiek kan contact opnemen met de specialisten familierecht van het kantoor.

 

 

 

w w w . m a x i u s . b e