ACTUELE TOPICS FAMILIAAL VERMOGENSRECHT

Geen rechtsmiddel mogelijk tegen beslissing inzake vervanging van de boedelnotaris in de gerechtelijke vereffening en verdeling (art. 1211, § 2, laatste lid Ger.W.): geen ongrondwettigheid volgens het Grondwettelijk hof

Het Grondwettelijk Hof heeft in twee recente arresten – met een tussenperiode van amper 3 maanden – op grond van identieke overwegingen geoordeeld dat art. 1211, §2, laatste lid Ger.W. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met art 6 EVRM, niet schendt (GwH 16 juni 2016, nr. 96/2016, BS 12 augustus 2016 en GwH 17 maart 2016, nr. 43/2016, BS 8 juni 2016). Artikel 1211, § 2, laatste lid Ger.W. bepaalt dat tegen de beslissing betreffende de vervanging van de boedelnotaris in een procedure van vereffening en verdeling geen enkel rechtsmiddel kan worden aangewend. In beide prejudiciële vragen die hebben geleid tot de voornoemde arresten maakten het Hof van Beroep te Antwerpen, respectievelijk het Hof van Beroep te Gent de vergelijking met art. 1210 Ger.W. dat wel voorziet in rechtsmiddelen voor wat betreft beslissingen tot aanstelling van de notaris-vereffenaar.

De beslissing van het Grondwettelijk Hof is gesteund op het totaalplaatje van de gerechtelijke vereffening en verdeling zoals die sinds de inwerkingtreding van de wet van 13 augustus 2011 tot hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling is geconcipieerd (S. MOSSELMANS, “Geen rechtsmiddel inzake de vervanging van een notaris-vereffenaar”, noot onder GwH 17 maart 2016, T.Fam. 2016, 145 e.v.). De wetgever beoogde namelijk met deze wet te voorzien in een efficiënte en meer transparante gerechtelijke verdelingsprocedure die overeenkomstig art. 6.1 EVRM binnen een redelijke termijn kan worden beëindigd, hetgeen een legitieme doelstelling is (zie o.a. EHRM 28 november 2000, Siegel/Frankrijk, RTDF 2001, 759, noot Y.-H. Leleu).

Het verschil in behandeling tussen de partijen die betrokken zijn bij de initiële aanstelling van de notaris-vereffenaar en diegenen die betrokken zijn bij zijn vervanging berust op een objectief criterium, zijnde de stand van de procedure. In het eerste geval gaat de beslissing omtrent de keuze van de notaris-vereffenaar vooraf aan de procedure van vereffening en verdeling, terwijl het in het tweede geval gaat om een incident tijdens de afwikkeling van de procedure. De maatregel om niet te voorzien in de mogelijkheid van hoger beroep tegen een beslissing inzake een verzoek tot vervanging is ook pertinent in het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstelling om de verdelingsprocedure niet nodeloos te vertragen en om de redelijke termijnvereiste te eerbiedigen.

Het Hof stelt vervolgens vast dat gedurende de gehele procedure de partijen voldoende mogelijkheden hebben om hun inspraak wat betreft de (werking van de) boedelnotaris te doen gelden. Zo geldt onder meer dat bij de aanstelling de keuze van de notaris in eerste instantie aan partijen toekomt. Zijn zij, of één van hen,  niet akkoord met deze aanstelling dan kan hoger beroep worden aangetekend. Indien er in de loop van de procedure redenen blijken te zijn die gerechtvaardigde twijfels doen ontstaan over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de notaris-vereffenaar, bestaat de mogelijkheid om, weliswaar onder bepaalde voorwaarden, de vervanging te verzoeken. Wordt deze geweigerd, dan kan weliswaar hiertegen geen rechtsmiddel worden aangewend, doch niets belet dat een partij later een nieuw verzoekschrift tot vervanging neerlegt op grond van andere feiten en middelen. Ook kan elke partij zich krachtens art. 1220, § 2-3 Ger.W. tot de rechtbank wenden indien de notaris-vereffenaar niet binnen de overeengekomen of wettelijk bepaalde termijnen handelt, waarbij de rechtbank desgevallend kan beslissen tot vervanging.  Ten slotte kan elke partij bezwaren uiten tegen de concrete uitwerking van de gerechtelijke verdeling door de notaris-vereffenaar via zwarigheden die desgevallend leiden tot aanpassing van de staat en waartegen nog verhaal bij de rechtbank open staat, en waartegen eveneens nog hoger beroep mogelijk is.

De beslissing van het Grondwettelijk Hof is vanuit proceseconomische overwegingen zeker bij te treden. Dit sluit echter niet uit dat in de toekomst mogelijkerwijze nog andere prejudiciële vragen zullen worden gesteld omtrent de grondwettigheid van de afwezigheid van enig rechtsmiddel tegen de beslissing tot vervanging van de boedelnotaris, en dit in vergelijking met andere (vergelijkbare) beslissingen in de procedure van vereffening en verdeling, zoals de beslissing tot aanstelling van een beheerder overeenkomstig art. 1212 Ger.W., waartegen wel een rechtsmiddel kan worden aangewend …

Een nieuwe stap in de harmonisering van het Europees familiaal internationaal privaatrecht: de Verordeningen 2016/1103 en 2016/1104 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels/de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen.

Op 8 juli 2016 verscheen in het Publicatieblad van de Europese Unie de Verordening 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (verder afgekort als “huwelijksvermogensstelsels-Vo”). Diezelfde dag verscheen eveneens de Verordening 2016/1104 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen (verder afgekort als “geregistreerde partnerschappen-Vo”). Hoewel de verordeningen, behoudens een aantal bepalingen, voor de deelnemende lidstaten slechts van toepassing zijn met ingang van 29 januari 2019, en er in de toekomst nog grondige commentaren zullen worden aan besteed, kan het toch nu reeds interessant zijn om de ontstaansgeschiedenis en krijtlijnen te schetsen.

De noodzaak aan Europese verordeningen inzake het relatievermogensrecht – in een eerste fase vooral wat betreft het huwelijksvermogensrecht -, werd reeds lange tijd aangevoeld. Zo kan onder meer de bestaande versnippering in aanknopingsfactoren  in de diverse lidstaten zeer grote gevolgen hebben (zie hierover o.a. W. PINTENS, “Matrimonial property law in Europe”, in K. BOELE-WOELKI, J. MILES en J. SCHERPE (eds.), The Future of Family Property Law in Europe, Antwerpen, Intersentia, 2011, p. 39 e.v.).

De verordeningen vormen het sluitstuk van eerdere verordeningen waarbij bepaalde aspecten van het familierecht en familiaal vermogensrecht werden geharmoniseerd. Behoudens de door de meeste practici gekende Brussel IIbis-Vo (Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, Pb. L. 23 december 2003), werden vrij recent drie verordeningen in deze materies uitgevaardigd:

 

 

Waar het ruimtelijk toepassingsgebied van de Alimentatie-Vo en Erfrecht-Vo de gehele Europese Unie beslaat – weliswaar met uitzondering van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk voor de meeste materies -, is dit niet het geval voor de Rome III-Vo. Een aantal materies zijn immers voor sommige lidstaten te delicaat om aan het Europees integratieproces te onderwerpen, terwijl andere lidstaten ook in deze materies de harmonisatie willen verderzetten. Het derde lid van art. 81 VWEU (Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) bepaalt namelijk dat de maatregelen betreffende het familierecht met grensoverschrijdende gevolgen worden vastgesteld door de Raad, die volgens een bijzondere wetgevingsprocedure besluit, met name principieel met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement. Deze eenparigheidsvereiste kan een ernstig obstakel vormen voor de verdere integratie. Artikel 20 VEU (Verdrag betreffende de Europese Unie) biedt echter soelaas. Het voorziet met name in een bijzondere procedure, de zogenaamde procedure van “nauwere samenwerking” waarbij, op voorwaarde dat de Raad constateert dat de met de nauwere samenwerking nagestreefde doelstellingen niet binnen een redelijke termijn door de Unie in haar geheel kunnen worden verwezenlijkt en mits ten minste negen lidstaten aan de nauwere samenwerking deelnemen, deze lidstaten toch het integratieproces kunnen verderzetten. Een eerste toepassing van een besluitvorming gebaseerd op deze procedure heeft geleid tot de Rome III-Vo (Zie hierover uitgebreid M. TRAEST, “Rome III: ‘Europese’ verwijzingsregels inzake echtscheiding als eerste toepassing van de nauwere samenwerking”, SEW 2012, 98 e.v.).
Ook de totstandkoming van de huwelijksvermogensstelsels-Vo en de geregistreerde partnerschappen-Vo is op deze procedure gebaseerd. Het ruimtelijk toepassingsgebied van de verordeningen zijn hierdoor beperkt tot België, Bulgarije, Tsjechië, Duitsland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Kroatië, Italië, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Slovenië, Finland, Zweden en Cyprus. Concreet betekent dit dat de overige lidstaten voorlopig – zij kunnen immers nog toetreden op een later tijdstip – hun eigen IPR regels zullen blijven toepassen.

Voor de verdere bespreking zal de huwelijksvermogensstelsels-Vo als basis dienen. De bepalingen van beide verordeningen zijn echter sterk vergelijkbaar.

Prejudiciële kwesties zoals de bekwaamheid van de echtgenoten of discussies inzake het bestaan, de geldigheid of erkenning van een huwelijk worden traditioneel uit het materieel toepassingsgebied van de  huwelijksvermogensstelsels-Vo gesloten. 

Inzake internationale bevoegdheid wordt een onderscheid gemaakt  tussen de internationale bevoegdheid bij overlijden (art. 4), bij echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk (art. 5), en de overige gevallen (art. 6). In de eerste twee gevallen lopen de bevoegdheidsregels voor zoveel als mogelijk parallel met de bevoegdheidsregels van de Brussel IIbis-Vo en Erfrecht-Vo. In de overige gevallen is de gewone verblijfplaats van de echtgenoten de determinerende aanknopingsfactor. In bepaalde gevallen is forumkeuze mogelijk (art. 7). Daarnaast is er nog ruimte voor alternatieve en subsidiaire aanknopingsfactoren (art. 9-10) en wordt ook, net zoals in de overige verordeningen, voorzien in een forum necessitatis (art. 11). De rechter dient zich desgevallend ambtshalve onbevoegd te verklaren (art. 15). De verordening bepaalt klassiek ook de regels in geval van litispendentie en samenhang (art. 17-18).

Wat het toepasselijk recht betreft wordt in art. 20 de universele toepassing van de verordening beklemtoond. Deze universele werking vormt ook één van de basisbeginselen van de eerder vernoemde verordeningen en houdt in dat de verwijzingsregels van de verordening steeds van toepassing zijn ook al leiden die tot de toepassing van het recht van een niet-lidstaat (F. APS, “Het familiaal internationaal privaatrecht (inzake echtelijke moeilijkheden): ‘too much europe’ ?”, T.Fam. 2015, 93 e.v.). Het gevolg van de universele werking is dat het nationale collisierecht de facto wordt uitgesloten. Voor België betekent dit concreet dat inzake het toepasselijk recht op huwelijksvermogensstelsels de art. 49-54 WIPR de facto vanaf 29 januari 2019 niet meer bruikbaar zullen zijn. De Belgische rechter zal steeds de huwelijksvermogensstelsels-Vo toepassen.
De verordening stelt tevens de eenheid van het toepasselijke recht voorop, dat geldt voor alle goederen van de echtgenoten ongeacht hun ligging (art. 21). Ook wat het toepasselijk recht betreft is onder bepaalde voorwaarden rechtskeuze mogelijk (art. 22-25). Bij gebreke aan rechtskeuze voorziet art. 26 in een cascadesysteem van aanknopingsfactoren waarbij de eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats van de echtgenoten na hun huwelijkssluiting primeert. Net zoals in de overige “moderne” verordeningen wordt renvoi uitdrukkelijk uitgesloten (art. 24). Onder het toepasselijk recht wordt uitsluitend het recht (ten gronde) met uitzondering van het internationaal privaatrecht verstaan.
De huwelijksvermogensstelsels-Vo bevat tenslotte een aantal regels m.b.t. de erkenning en tenuitvoerlegging die in grote lijnen overeenkomen met deze van de Erfrecht-Vo.

De totstandkoming van de verordeningen inzake het relatievermogensrecht hebben geen gemakkelijk traject gekend. De uiteindelijke verwezenlijking kan enkel worden toegejuicht. De harmonisering van het Europees familiaal internationaal privaatrecht is weer een stap dichterbij ….

 

ACTUELE TOPICS AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT

Kan een bedrijf aansprakelijk worden gesteld voor piraterij via gratis wifi?

Een Duits bedrijf in licht- en geluidstechniek in de buurt van München, bood gratis wifi aan. In 2010 werd via dat netwerk illegaal muziek aangeboden, waarvan Sony over de rechten beschikte. Om die reden wilde Sony de betreffende winkel aansprakelijk stellen, omdat de winkel volgens Sony het netwerk had moeten beveiligen en dit onterecht had nagelaten.

De advocaat-generaal van het Europese Hof van Justitie concludeerde echter dat winkeliers of horecaeigenaren niet aansprakelijk kunnen worden gesteld wanneer gebruikers van hun gratis wifinetwerk auteursrechten schenden door bijvoorbeeld het uploaden van een film. De advocaat-generaal heeft daarbij een uitlegging gegeven van de Europese richtlijn over e-commerce, waarin de aansprakelijkheid van providers (als doorgevers van informatie) wordt beperkt. Volgens de richtlijn is een provider niet aansprakelijk als hij de transmissie niet heeft geïnitieerd, de ontvangers niet heeft geselecteerd en de informatie niet heeft bewerkt. De advocaat-generaal ziet een WiFi-netwerk dus als een provider in de zin van deze richtlijn. Het Hof van Justitie heeft de advocaat-generaal hierin gevolgd.

Volgens het Europese Hof van Justitie is de gratis terbeschikkingstelling aan het publiek van een wifinetwerk om de aandacht van potentiële klanten te vestigen op de waren of diensten van een winkel of horecazaak een onder de richtlijn vallende ‘dienst van de informatiemaatschappij’. De exploitant van een winkel die het publiek gratis toegang verschaft tot een wifinetwerk is niet aansprakelijk voor inbreuken op het auteursrecht die door een gebruiker worden gepleegd. Wel kan een dergelijke exploitant wel het bevel worden opgelegd om zijn netwerk te beveiligen met een wachtwoord om die inbreuken te beëindigen of te voorkomen  (Arrest in zaak C-484/14 Tobias Mc Fadden / Sony Music Entertainment Germany GmbH ).

Welk recht is van toepassing op de schade die een familielid van een als gevolg van een verkeersongeval overleden of verwonde persoon persoonlijk heeft geleden?

Binnen Europa bestaan grote verschillen in het recht op vergoeding van schade die een familielid van een als gevolg van een verkeersongeval overleden of verwonde persoon persoonlijk heeft geleden. Zo kunnen in België bv. ook grootouders en broers en zussen aanspraak maken op een vergoeding voor morele schade krachtens de Indicatieve Tabel (en daarnaast eenieder met een voldoende ‘affectieve band’), terwijl dit recht in het Verenigd Koninkrijk bv. strikt voorbehouden is aan echtgenoten en ouders van minderjarige kinderen. In Nederland hebben naasten dan weer geen enkel recht op vergoeding van immateriële schade bij overlijden of verwonding van een naaste.

Dit betekent bv. dat wanneer een Belg in Nederland schade oploopt ten gevolge van een onrechtmatige daad van een derde, diens naasten en/of nabestaanden, geen enkel recht hebben op vergoeding van hun morele schade wanneer Nederlands recht van toepassing is op hun vordering (met uitzondering van de ‘schokschade’). Welk recht van toepassing is op de aanspraak van een naaste op vergoeding van morele schade bij overlijden of verwonding van het rechtstreekse slachtoffer kan dus van groot belang zijn.

Het Europese Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 10 december 2015, artikel 4 lid 1 van Verordening (EG) nr. 864/2007 inzake het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) zo uitgelegd dat, wanneer kan worden vastgesteld waar de directe schade is ingetreden, die plaats meteen ook het relevante aanknopingspunt is voor het recht dat van toepassing is op de vraag naar de vergoedbaarheid van indirecte schade, zoals deze van naasten en nabestaanden. De centrale gedachte van het Europese Hof van Justitie is dat er in geval van letsel- en vermogensschade, moet worden aangeknoopt bij het land waar het letsel of de materiële schade is opgelopen (de plaats van het ongeval), niet alleen voor de afhandeling van de rechtstreekse schade, maar ook voor de afhandeling van alle indirecte gevolgen van het ongeval, zodat de versnippering van de afwikkeling van een onrechtmatige daad over meerdere rechtsstelsels zoveel mogelijk vermeden wordt.

Informed consent in de medische sfeer: (nog) geen nieuwe evolutie in de cassatierechtspraak

Het leerstuk van de informed consent in de medische sfeer past binnen de bredere context van de patiëntenrechten. De wet Patiëntenrechten vereist een voorafgaande (art. 8, § 1, eerste lid, en art. 8,§ 3 Patiëntenwet) duidelijke en tijdige (art. 8, § 3, juncto art. 7,§ 2 Patiëntenwet) informatieverschaffing. Deze informatieverschaffing heeft tot doel de patiënt adequaat te informeren vooraleer hij zijn toestemming tot de medische behandeling geeft, zodat de patiënt geen keuze maakt die hij mogelijk niet zou gemaakt hebben als hij beter geïnformeerd was geweest.

Recent werd de vraag gesteld, onder verwijzing naar een arrest van het Hof van Cassatie, waarin werd geoordeeld dat uit de regels betreffende de bewijslastverdeling volgt dat de advocaat-dienstverlener dient te bewijzen dat hij zich van zijn plicht heeft gekweten om zijn cliënt in te lichten, en niet dat de cliënt het negatieve feit dient te bewijzen dat de vereiste informatie hem niet werd gegeven (Cass. 25 juni 2015, C.14.0382 F/4, www.juridat.be), of er ook evoluties te verwachten zijn in de bewijslastverdeling in de verhouding medische zorgverlener en patiënt.

Of dit het geval is, zal de toekomst uiteraard uitwijzen, maar dit laatste arrest vormt daartoe in ieder geval (nog) geen aanknopingspunt. Dit arrest had immers louter betrekking op een geschil over een informatieverplichting van een advocaat ten aanzien van zijn cliënt met betrekking tot het recht op juridische tweedelijnsbijstand. Overeenkomstig artikel III.1.8.1. van de Codex Deontologie voor advocaten is de advocaat die geconsulteerd wordt door een cliënt en vermoedt of weet dat de cliënt in aanmerking komt voor juridische tweedelijnsbijstand, verplicht de cliënt hierover te informeren.

Daar waar de brede informatieverplichtingen die rusten op de advocaat-dienstverlener (vervat in artikel III.74 tot III.76 WER) die hier van toepassing zijn, echter uitdrukkelijk voorzien dat het de advocaat is die als dienstverlener het bewijs moet leveren van het vervuld zijn van zijn informatieverplichtingen (artikel III.78 WER), bevat de Wet Patiëntenrechten geen vergelijkbare bepaling. De wetgever heeft er met andere woorden, in tegenstelling tot wat geldt in de verhouding advocaten/dienstverleners-cliënt, niet voor gekozen de bewijslast ter zake de informatieverplichtingen ook om te keren in de arts-patiënt-relatie.

Het is met andere woorden krachtens de toepasselijke wetgeving (met name artikel 870 Ger.w. jo. artikel 1315 B.W.) nog steeds de patiënt die de bewijslast draagt van een gebrek aan informed consent. Het Hof van Cassatie heeft een en ander uitdrukkelijk bevestigd in zijn arrest van 16 december 2004 (Cass. 16 december 2004, NjW 2006, 316), en heeft sindsdien de uitgezette koers niet meer gewijzigd. De patiënt die aanvoert dat een zorgverlener hem niet ter dege heeft geïnformeerd voorafgaand aan een zorgbehandeling draagt hiervan met andere woorden nog steeds de bewijslast en het bewijsrisico.

 

Kosten voor vervanging van gebrekkige producten komen voortaan ook in aanmerking voor vergoeding onder de Wet Productaansprakelijkheid.

 

Op 5 maart 2015 wees het Europese Hof van Justitie een arrest in twee prejudiciële procedures over de uitleg van de Richtlijn Productaansprakelijkheid. Het ging om de kosten van verwijdering van een aantal medische hulpmiddelen (pacemakers en defibrillatoren). In casu was de gebrekkigheid van de daadwerkelijk gebruikte exemplaren van de pacemakers en defibrillatoren niet aangetoond, maar stond wel vast dat de producten tot een groep producten behoren ‘die een disfunctie vertonen’. Het Europese Hof van Justitie oordeelde dat ook de kosten van vervanging van deze producten als vergoedbare schade in aanmerking kwam onder toepassing van de Richtlijn Productaansprakelijkheid.

Nieuwe vragen van aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door motorrijtuigen naar aanleiding van de (deels) zelfrijdende auto

Verschillende autofabrikanten, onderzoeksinstituten en een bedrijf als Google houden zich al jaren bezig met de ontwikkeling van de (deels) zelfrijdende auto, die vandaag zelfs op de rand van de marktintroductie staat. Van (toenemende) automatisering van de rijtaak wordt veel verwacht: het terugdringen van het aantal verkeersongevallen, het verbeteren van de doorstroming en de verhoging van het rijcomfort. De mogelijke introductie van de zelfrijdende auto roept echter ook de nodige juridische vragen op. Wie is aansprakelijk als er iets misgaat? Zal aansprakelijkheid voor verkeersongevallen verschuiven naar autofabrikanten en systeemproducenten? Een van de grootste technische uitdagingen is op dit moment nog gelegen in de adequate interpretatie van de veelal zeer complexe en dynamische verkeersomgeving door het zelfrijdende voertuig. Zo dient een zelfrijdende auto o.a. rekening te (kunnen) houden met de niet altijd even voorspelbare gedragingen van andere weggebruikers, zeer uiteenlopende weersomstandigheden en met een variëteit aan wegcondities waaronder ook wegwerkzaamheden, slecht wegdek en gebrekkige belijning. Risico’s kunnen met name voortvloeien uit het feit dat gebruikers van de zelfrijdende voertuigen een gebrekkig inzicht hebben in de werking en vooral de beperkingen van het systeem, waardoor bestuurders overmatig gaan vertrouwen op de techniek. Een aantal ongevallen die zich de afgelopen maanden voordeden met zelfrijdende auto’s illusteren de beperkingen van deze besturingssystemen in de huidige stand van de techniek. Fabrikanten en producenten op wie de verplichting rust veilige producten op de markt te brengen zullen daarom wellicht niet aan aansprakelijkheid kunnen ontsnappen op de loutere grond dat het systeem de automobilist slechts assisteert en de bestuurder dan ook te allen tijde verantwoordelijk blijft. Een gebruiker (of derde slachtoffer) moet immers niet accepteren dat als gevolg van de complexe omgeving waarin een dergelijk systeem moet functioneren, ‘inschattingsfouten’ nu eenmaal niet zijn uit te sluiten. Wel is het zo dat de huidige WAM-verzekering in België die dekking biedt los van de vraag of er aansprakelijkheid jegens de benadeelde bestaat, al op maat gesneden lijkt van deze nieuwe besturingssystemen, omdat voor uitkering op basis van deze verzekering de aansprakelijkheidsvraag niet relevant is.

De cel aansprakelijkheid van maxius advocaten en bemiddelaars gaf afgelopen maand mei een lezing over productaansprakelijkheid 3.0 (nieuwe risico’s van aansprakelijkheid en verzekering gelieerd aan zelfrijdende voertuigen en nieuwe technieken als 3D printen).

ACTUELE TOPICS ARBEIDSRECHT

Nieuwe regels voor de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid vanaf 1 oktober 2016

Vanaf 1 oktober 2016 geldt bij uitzendarbeid dat de arbeidsovereenkomst tussen het uitzendkantoor en de uitzendkracht schriftelijk moet worden vastgesteld uiterlijk op het tijdstip waarop de uitzendkracht in dienst treedt (voordien moest de overeenkomst maar schriftelijk worden vastgesteld uiterlijk binnen twee werkdagen te rekenen vanaf het tijdstip waarop de werknemer in dienst trad).

De nieuwe wettelijke regeling voorziet wel dat de elektronisch ondertekende arbeidsovereenkomst onder bepaalde voorwaarden beschouwd wordt als een schriftelijke overeenkomst en dus volstaat. Ook worden andere vormen van elektronische handtekening dan met een elektronische identiteitskaart toegelaten.  Hiermee wil de wetgever het gebruik van de elektronische arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid aanmoedigen.

Wanneer er geen geschreven overeenkomst is volgens de voorwaarden die de nieuwe regeling voorziet, gelden voor de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid de regels inzake de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomsten.  In dat geval kan de uitzendkracht echter binnen de zeven dagen na de indiensttreding ook zonder opzegging, noch vergoeding een einde maken aan de overeenkomst.

Deze sanctie geldt bij elektronische arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid evenwel niet wanneer de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld:

 

Er wordt door de nieuwe wettelijke regeling dus niet voorzien in een sanctie voor de gebruiker van de uitzendkracht.  Zo zal er geen arbeidsovereenkomst tussen de uitzendkracht en de gebruiker tot stand komen door de loutere niet naleving van deze regels.

De nieuwe regeling voorziet ook in een verplichting om de elektronisch ondertekende arbeidsovereenkomst op te slaan bij een verlener van een elektronische archiveringsdienst of een uitzendbureau dat voor eigen rekening dergelijke dienst verleent.  Deze elektronische opslag is kosteloos voor de uitzendkracht en moet 5 jaar vanaf het einde van de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid worden gewaarborgd.  De uitzendkracht moet op ieder moment toegang hebben tot het document.

 

 

 

w w w . m a x i u s . b e