ACTUELE TOPICS AANSPRAKELIJKHEIDSRECHT

Nieuwe "Indicatieve tabel" 2016 voorgesteld op 9 maart 2017

De indicatieve tabel is een lijst van forfaitaire schadevergoedingen die opgesteld is door het Nationaal verbond van magistraten van eerste aanleg en het Koninklijk verbond van vrede- en politierechters die men als strikt indicatief dient te hanteren. Deze tabel wordt regelmatig geactualiseerd vanuit de bekommernis rekening te houden met de evolutie van de sociaal-economische omstandigheden, van de wetgeving en van de rechtsleer en rechtspraak.

De nieuwe indicatieve tabel werd voorgesteld op 9 maart 2017 en is onmiddellijk van toepassing op alle schadegevallen.

Die lijst is bedoeld als leidraad voor de raming van schade die men niet in concreto (schade waarvan men geen bewijs kan aanvoeren) kan begroten, die men dus niet aan de hand van bewijsstukken kan aantonen (bvb. de morele schade).

Men vindt er de volgende schadeposten:

 

 

Overleden slachtoffer

 

Begunstigde

 

Vergoeding in euro

 

gehuwd/samenwonend/
samenlevingscontract

 

gehuwd/samenwonend/
samenlevingscontract

 

15.000,00

 

inwonende ouder

 

inwonend kind

 

15.000,00

 

inwonende ouder

 

inwonend weeskind

 

24.000,00

 

niet-inwonende ouder

 

niet-inwonend kind

 

6.000,00

 

inwonend kind

 

ouder

 

15.000,00

 

zelfstandig wonend kind

 

ouder

 

6.000,00

 

miskraam

 

ouder

 

3.000,00

 

inwonende broer/zuster

 

inwonende broer/zuster

 

3.000,00

 

niet-inwonende broer/zuster

 

niet-inwonende broer/zuster

 

1.800,00

 

inwonende grootouders

 

inwonende kleinkinderen

 

3.000,00

 

niet-inwonende grootouders

 

niet-inwonende kleinkinderen

 

1.500,00

 

inwonende kleinkinderen

 

inwonende grootouders

 

3.000,00

 

niet-inwonende kleinkinderen

 

niet-inwonende grootouders

 

1.500,00

ook andere personen kunnen aanspraak maken op een vergoeding, op voorwaarde dat het vaststaat dat zij een specifieke affectieve band hadden met het slachtoffer.



 

De tabel voorziet daarnaast ook enkele courante materiële schadeposten zoals :

 

ACTUELE TOPICS SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT

Invordering van RSZ-schulden voortaan in de regel via dwangbevel

Door een Wet van 1 december 2016 werd artikel 40 van de RSZ-Wet van 27 juni 1969 gewijzigd, dat gaat over de invordering van sociale zekerheidsbijdragen door de RSZ. 

Het artikel stelt sinds 1 januari 2017 als regel voorop dat de RSZ overgaat tot invordering van de sociale zekerheidsbijdragen bij wijze van dwangbevel, doch onverminderd zijn recht om voor de rechter te dagvaarden.  Vóór die datum gebeurde de invordering doorgaans door dagvaarding van de schuldenaar voor de arbeidsrechtbank.

Het dwangbevel gaat uit van de RSZ en wordt aan de schuldenaar betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot.  De betekening bevat een bevel om te betalen binnen de 24 uren op straffe van tenuitvoerlegging door beslag, alsook een boekhoudkundige verantwoording van de gevorderde bedragen en een afschrift van de uitvoerbaarverklaring.

De schuldenaar kan tegen het dwangbevel verzet aantekenen voor de arbeidsrechtbank van zijn woonplaats of zijn maatschappelijke zetel.

Het verzet is, op straffe van nietigheid, met redenen omkleed en dient gedaan te worden door middel van een dagvaarding aan de RSZ bij deurwaardersexploot betekend binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de betekening van het dwangbevel

De uitoefening van verzet tegen het dwangbevel schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, alsook de verjaring van de schuldvorderingen opgenomen in het dwangbevel, tot de uitspraak over de gegrondheid ervan is geveld.

Wordt u geconfronteerd met een door een gerechtsdeurwaarder op verzoek van de RSZ betekend dwangbevel en u wil dit betwisten, neem dan zo spoedig mogelijk contact met ons (met onze specialisten arbeidsrecht en sociale zekerheidsrecht), zodat er  tijdig verzet kan worden aangetekend.

Doelgroepvermindering eerste aanwervingen opnieuw versterkt

Sinds 1 januari 2017 werd de doelgroepvermindering (vermindering van werkgeversbijdragen) voor eerste aanwervingen opnieuw versterkt, deze keer voor wat betreft de derde tot en met de zesde werknemer (door een Koninklijk Besluit van 31 januari 2017).

Door de doelgroepvermindering eerste aanwervingen kunnen werkgevers onder bepaalde voorwaarden gedurende enkele kwartalen een forfaitaire bijdragevermindering genieten bij de aanwerving van hun eerste, tweede, derde, vierde, vijfde en (sinds 1 januari 2016) zesde werknemer.

Voor de aanwerving van de derde tot en met de zesde werknemer worden sinds 1 januari 2017 enerzijds de bedragen van de vermindering verhoogd. Anderzijds worden ze voor een langere tijd toegekend.

De nieuwe regels gelden voor indienstnames vanaf 1 januari 2017.

ACTUELE TOPICS ARBEIDSRECHT

Werkbaar en wendbaar werk

De wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk, werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 maart 2017.  Deze zogenaamde “Wet-Peeters” treedt in werking op 1 februari 2017, maar dit geldt niet voor alle maatregelen.

Glijdende uurroosters, occasioneel telewerk, loopbaansparen, schenken van verlof, opleiding, flexibiliteit van de arbeidstijd, vereenvoudiging van deeltijdse arbeid, nachtarbeid in de e-commerce e.a. zijn maatregelen die aan bod komen.  Voor uw vragen hieromtrent kan u bij ons terecht (bij onze specialisten arbeidsrecht en sociale zekerheidsrecht).  Nu kan u al de eerste informatie vinden in het dossier van de FOD Werk. Meer op >>>

 

ACTUELE TOPICS STRAFRECHT

Verhoging van de opdeciemen

Sinds 1 januari 2017 zijn de wettelijke opdeciemen voor strafrechtelijke geldboeten gestegen van 50 naar 70.  Concreet betekent dit dat sinds die datum de opgelegde strafrechtelijke geldboeten vermenigvuldigd worden met acht in plaats van met zes. 
Wie voor feiten gepleegd vanaf 1 januari 2017 door bijvoorbeeld de politierechtbank of de correctionele rechtbank een boete krijgt opgelegd, zal dus de facto 1/3de meer betalen dan voorheen.

Dezelfde opdeciemen gelden onder meer ook in het sociaal strafrecht voor de administratieve geldboeten.

ACTUELE TOPICS FAMILIERECHT

Toegang tot de familierechtbank voor feitelijke samenwoners. Standpunt van het Grondwettelijk Hof.

Sinds de invoering van de familierechtbanken is het duidelijk dat (ex-)gehuwden en (ex) wettelijke samenwoners voor al hun onderlinge familiale betwistingen terecht kunnen bij de familierechtbank.

Dat is niet het geval voor feitelijke samenwoners. Deze kunnen wel bij de familierechtbank terecht inzake betwistingen aangaande hun kinderen (regeling ouderlijk gezag, verblijfsregeling en financiële regelingen) en vorderingen inzake vereffening en verdeling van hun onverdeeld vermogen, maar niet inzake andere vorderingen, zoals bijvoorbeeld een vraag tot terugbetaling van een partner van gelden die hij/zij heeft geïnvesteerd in de woning van de andere partner, of een vraag tot het bekomen van een persoonlijk onderhoudsgeld.
Het Grondwettelijk Hof heeft in twee recente, en afzonderlijke, arresten van 19 januari 2017 beslist dat enerzijds art. 572bis, 3° Ger.W. en anderzijds art. 1253ter/5, derde lid Ger.W. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden omdat zij feitelijk samenwonenden van het toepassingsgebied ervan uitsluiten (GwH 19 januari 2017, nrs. 1/2017 en 4/2017, BS 20 februari 2017 en 9 maart 2017).

Overeenkomstig art. 572bis, 3° Ger.W. is de familierechtbank enkel bevoegd om kennis te nemen van vorderingen tussen echtgenoten en wettelijk samenwonenden over de uitoefening van hun rechten of hun goederen en de voorlopige maatregelen die daarop betrekking hebben. Het Hof oordeelde in zijn arrest nr. 2017/1 dat het enkele gegeven dat de wetgever de geschillen tussen de feitelijk samenwonenden niet uitsluitend aan de familierechtbank heeft toevertrouwd maar dat verschillende rechters daarvoor bevoegd zijn, niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten van feitelijke samenwoners. Ook al betreft het verschillende rechters, het recht op toegang tot de rechter wordt de feitelijke samenwoners niet ontzegd. Het recht op toegang tot de rechter omvat immers niet het recht op een rechter naar zijn keuze. Zo zullen voorlopige maatregelen m.b.t. de goederen - die voor gehuwden en wettelijk samenwonenden worden beslecht door de familierechtbank - desgevallend kunnen worden beslecht door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in het kader van een gemeenrechtelijke kortgeding procedure (art. 584, eerste lid Ger.W.).
 
Artikel 1253ter/5, derde lid Ger.W. dat voorziet in de toekenning van het voorlopig genot van de gezinswoonst ten voordele van het slachtoffer van partnergeweld is ook enkel van toepassing op gehuwden en wettelijk samenwonenden, met uitsluiting van feitelijke samenwoners. In het verlengde van het arrest nr. 2017/1 oordeelt het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 4/2017 dat ook in deze hypothese de feitelijke samenwoners het recht op toegang tot de rechter niet wordt ontzegd. Ook in deze hypothese zou desgevallend de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg kunnen worden gevat (art. 584, eerste lid. Ger.W.).

Beide arresten van het Grondwettelijk Hof liggen in de lijn van de reeds eerder uitgesproken arresten. Reeds voor de inwerkingtreding van de familierechtbanken oordeelde het toenmalige Arbitragehof dat art. 1479, derde lid BW de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt in zoverre het bepaalde dat de vrederechter de dringende en voorlopige maatregelen gelastte die gerechtvaardigd waren ingevolge de beëindiging van een wettelijke samenwoning, doch de vrederechter niet dezelfde bevoegdheid verleende indien geen verklaring van wettelijke samenwoning werd afgelegd en het dus feitelijke samenwoners betrof.

Het recht op toegang tot de rechter vormt maar één, procedureel, aspect van de verschillende behandeling tussen enerzijds feitelijke samenwonenden en anderzijds gehuwden en/of wettelijk samenwonenden en de vraag naar het al dan niet discriminerend karakter van deze verschillende behandeling. De verschillende behandeling uit zich tevens onder meer op het vlak van het bewijsrecht, erfrecht, de fiscaliteit, sociale zekerheidsaspecten, …

Ook al is het standpunt van het Grondwettelijk Hof reeds op procedureel niveau bekritiseerbaar, geeft het onderliggend idee van het Grondwettelijk Hof meer stof tot nadenken. Het Grondwettelijk Hof steunt immers zijn redenering bijna altijd op de overweging dat de wetgever er redelijkerwijs kon van uitgaan dat de feitelijk samenwonenden bewust ervoor hebben gekozen niet te opteren voor een van de twee wettelijk geregelde vormen van samenwoning, het huwelijk en de wettelijke samenwoning. De door de feitelijk samenwonenden gevormde gemeenschap staat immers volgens het Hof niet met dezelfde zekerheid vast als die welke ontstaat uit het huwelijk of uit de wettelijke samenwoning en daaruit vloeien niet dezelfde rechten en plichten voort. Terwijl de echtgenoten en wettelijk samenwonenden hun relatie hebben geformaliseerd en hun wederzijdse rechten en plichten hebben bepaald, zijn de feitelijk samenwonenden volgens het Hof niet dezelfde juridische verbintenissen jegens elkaar aangegaan, waarbij de feitelijke samenwoning geen geïnstitutionaliseerde vorm van samenleven uitmaakt.

De vraag kan worden gesteld of in een veranderend klimaat waarbij het idee groeit om ook aan feitelijke samenlevers een minimale wettelijke bescherming te bieden voormelde redenering niet moet worden bijgeschaafd. De nakende hervorming van het relatievermogensrecht zal hierop waarschijnlijk de eerste antwoorden bieden ….

ACTUELE TOPICS AANNEMINGSRECHT

Consignatiemogelijkheid in geval de onderaannemer zijn rechtstreekse vordering uitoefent

In art. 1798 B.W. is voorzien dat “metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui en onderaannemers gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij aanneming zijn uitgevoerd, (…) tegen de bouwheer een rechtstreekse vordering (hebben) ten belope van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is op het ogenblik dat hun rechtsvordering wordt ingesteld. De onderaannemer wordt als aannemer en de aannemer als bouwheer beschouwd ten opzichte van de eigen onderaannemers van de eerstgenoemde.”

Wanneer de hoofdaannemer de aanspraken van de onderaannemer betwist, is het voor de bouwheer echter niet duidelijk aan wie hij bevrijdend mag betalen en of hij bevrijdend kan betalen.

De wetgever heeft thans voorzien in een consignatiemogelijkheid voor de bouwheer in het geval van een betwiste rechtstreekse vordering van de onderaannemer (art. 1798 B.W.) door de invoeging van volgend derde lid in artikel 1798 B.W.:  “in geval van betwisting tussen de onderaannemer en de aannemer, kan de bouwheer het bedrag storten in de Deposito- en Consignatiekas of op een geblokkeerde rekening op naam van de aannemer en onderaannemer bij een financiële instelling. De bouwheer is hiertoe verplicht indien hij hiertoe schriftelijk wordt verzocht door de hoofdaannemer of de onderaannemer.”

De nieuw ingevoerde mogelijkheid tot consignatie werkt bevrijdend voor de bouwheer, zodat deze dan niet langer met de aanrekening van intresten en de toepassing van schadebedingen geconfronteerd wordt in geval van een betwisting van de vordering van de onderaannemer door de hoofdaannemer.

De nieuwe wettelijke regeling is op 1 januari 2017 in werking getreden.

 

w w w . m a x i u s . b e

Wenst u geen nieuws meer per e-mail te ontvangen, gelieve dan een bericht terug te zenden met "uitschrijven" in de onderwerpbalk.


Wenst u geen nieuws meer per e-mail te ontvangen, gelieve dan een bericht terug te zenden met "uitschrijven" in de onderwerpbalk.