ACTUELE TOPICS ARBEIDSRECHT

De Wet Werkbaar en Wendbaar Werk: stand van zaken

Een groot aantal bepalingen van de Wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk zijn retroactief in werking getreden op 1 februari 2017.  Deze wet wil voorzien in meer flexibiliteit,  enerzijds voor de werkgever om zijn werknemers meer flexibel te kunnen inzetten (‘wendbaar werk’), anderzijds voor de werknemers om hun werk beter te kunnen afstemmen op hun privéleven (‘werkbaar werk’).  Hiermee wil de wetgever een antwoord bieden op een aantal maatschappelijke en economische evoluties.

Meer concreet gaat het onder meer over de volgende maatregelen:

 

Een aantal wijzigingen inzake deeltijdse arbeid traden in werking op 1 oktober 2017
Het gaat onder meer over:

 

De werkgevers die reeds gebruik maakten van variabele deeltijdse uurroosters dienen uiterlijk 31 maart 2018 hun arbeidsreglement in overeenstemming te brengen met de nieuwe wettelijke bepalingen.  Tot de inwerkingtreding van het gewijzigde arbeidsreglement en uiterlijk tot 31 maart 2018 blijven de regels van toepassing zoals ze van kracht waren tot de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen.

De regels met betrekking tot loopbaansparen (de mogelijkheid voor de werknemer om tijd op te sparen om deze later in de vorm van verlof op te nemen) zouden op 1 augustus 2017 in werking treden, maar met een Koninklijk Besluit van 25 juni 2017 tot uitvoering van artikel 39 van de Wet van 5 maart 2017 betreffende  werkbaar en wendbaar werk werd de inwerkingtreding met 6 maanden uitgesteld, dus tot 1 februari 2018.  De Nationale Arbeidsraad heeft de mogelijkheid om hierover voor die datum een CAO te sluiten.

Voor verdere vragen kan u terecht bij onze specialisten arbeidsrecht.

ACTUELE TOPICS FAMILIERECHT

De woonstvergoeding als effectief in aanmerking te nemen woonlast bij de berekening van de persoonlijke onderhoudsbijdrage na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk

Bij de berekening van de persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk, houdt de rechter rekening met het beschikbaar maandelijks inkomen van beide partijen. In de rechtspraak en rechtsleer wordt algemeen aangenomen dat de inkomsten die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de onderhoudsbijdrage de netto-inkomsten zijn, dus na aftrek van alle sociale en fiscale lasten, en na het verrekenen van de woonlasten van de ex-echtgenoten.

Gedurende de echtscheidingsprocedure, en zelfs na het echtscheidingsvonnis in kracht van gewijsde is getreden, blijft meestal een van de ex-echtgenoten in de gezinswoning, tot de effectieve vereffening en verdeling heeft plaatsgevonden en de gezinswoning wordt overgenomen door een van beide ex-echtgenoten, dan wel wordt verkocht.

De ex-echtgenoot die in de gezinswoning blijft wonen, is in principe een woonstvergoeding verschuldigd ten belope van de helft van de huurwaarde van het onroerend goed, voor de periode dat hij alleen het genot heeft gehad van deze woning. De woonstvergoeding wordt niet maandelijks betaald, maar zal aangerekend worden op het deel dat deze ex-echtgenoot ontvangt uit de vereffening en verdeling van de postcommunautaire onverdeeldheid.

Lange tijd is er onzekerheid geweest in de rechtspraak of de rechter bij de begroting van de onderhoudsuitkering na echtscheiding al dan niet rekening kon houden met de woonstvergoeding als effectieve woonlast. Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 17 september 2015 duidelijkheid gebracht in de verdeelde rechtspraak omtrent het al dan niet in aanmerking nemen van de te verrekenen woonstvergoeding als effectieve woonlast bij de begroting van de onderhoudsuitkering na echtscheiding. 

Bij de beoordeling van de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde ex-echtgenoot en de begroting van het bedrag van de onderhoudsuitkering na echtscheiding, kan de familierechtbank rekening houden met de woonstvergoeding die vanaf het definitief worden van de echtscheiding verschuldigd is, ook al wordt deze niet effectief maandelijks betaald maar is dit een te verrekenen schuld die bij de vereffening-verdeling in mindering zal worden gebracht op diens aandeel in de postcommunautaire onverdeeldheid.

Het Hof van Cassatie neemt hier een logisch en billijk standpunt in. Indien van het tegenovergestelde standpunt zou worden uitgegaan, en de rechter bij de berekening van het bedrag van onderhoudsuitkering na echtscheiding geen rekening zou houden met de te verrekenen woonstvergoeding als een woonlast die in mindering moet worden gebracht van de beschikbare inkomsten, ontstaat een bijzonder onbillijke situatie waarbij de onderhoudsgerechtigde ex-echtgenoot in een benadeelde positie wordt geplaatst. Bij de berekening van de ‘staat van behoefte’ wordt dan immers geen rekening gehouden met enige woonlast, waardoor een hoger beschikbaar inkomen in aanmerking wordt genomen dan waarover de onderhoudsgerechtigde ex-echtgenoot daadwerkelijk kan beschikken. Hierdoor zal het bedrag van de onderhoudsuitkering na echtscheiding waarop de behoeftige ex-echtgenoot recht heeft, aanzienlijk lager zijn, hoewel de woonstvergoeding achteraf alsnog dient te worden betaald.

ACTUELE TOPICS FAMILIAAL VERMOGENSRECHT

Het nieuwe erfrecht : een korte beschrijving van de nieuwigheden

Op 1 september 2017 werd de Wet van 31 juli 2017 ‘tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake’ gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
De hervorming van het erfrecht is daarmee een feit geworden.

Ziehier een aantal nieuwigheden :

De nieuwe wet biedt dus vele voordelen ten aanzien van de vroegere regeling. In eerste instantie is er meer keuzevrijheid. In tweede instantie  kunnen er veel meer bindende afspraken op voorhand worden gemaakt, hetgeen heel wat (en vaak lange) erfenisprocedures zou moeten kunnen vermijden.

Nog meegeven dat de wet pas in werking treedt op de eerste dag van de 12de maand na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, dit is dus uiterlijk op 1 augustus 2018.
Er is echter een overgangsregeling: wie reeds schenkingen of testamenten heeft gemaakt en niets doet zal na één jaar automatisch onder de nieuwe regeling vallen. Wie onder de oude regeling wenst te blijven zal hiertoe binnen het jaar een verklaring dienen af te leggen bij een notaris.

Voor verdere vragen kan u terecht bij onze specialisten familie-, huwelijksvermogens- en erfrecht.

ACTUELE TOPICS GERECHTELIJK RECHT

De mogelijkheid tot het aantekenen van verzet in burgerlijke zaken wordt ingrijpend gewijzigd

Op 3 augustus 2017 is de wet van 24 juli 2017, beter bekend onder de naam ‘Potpourri V’, in werking getreden. Sindsdien bepaalt artikel 1047 Ger. W. het volgende: “Tegen ieder verstekvonnis dat in laatste aanleg is gewezen, kan verzet worden gedaan, onverminderd de bij de wet bepaalde uitzonderingen.”

Potpourri V heeft met andere woorden de mogelijkheid om verzet aan te tekenen tegen een verstekvonnis in burgerlijke zaken op ingrijpende wijze veranderd.

Tegen een verstekvonnis van de rechtbank van eerste aanleg in burgerlijke zaken of van de rechtbank van koophandel, waarbij uitspraak wordt gedaan over een vordering waarvan het bedrag 2.500,00 euro niet overschrijdt, kan nog steeds verzet worden aangetekend, nu dergelijke vonnissen in laatste aanleg worden gewezen. Hetzelfde geldt voor de vonnissen waarbij de vrederechter of de politierechtbank in burgerlijke zaken uitspraak heeft gedaan over een vordering waarvan het bedrag 1.860,00 euro niet overschrijdt.

Overschrijdt de vordering evenwel wel het bedrag van 2.500,00 euro of 1.860,00 euro, dan is het verstekvonnis wel vatbaar voor hoger beroep, zodat men vanaf de wetswijziging van 3 augustus 2017 uitsluitend dit rechtsmiddel kan aanwenden. Verzet is in deze gevallen niet meer mogelijk, zodat de versteklatende partij in feite een aanleg verliest.

Vonnissen van de arbeidsrechtbank zijn steeds vatbaar voor hoger beroep (worden dus nooit in laatste aanleg gewezen), zodat tegen een verstekvonnis van de arbeidsrechtbank geen verzet meer mogelijk is.